Inleiding
Onderstaand een tekst die ik ooit vond ergens tussen de paperassen van mijn vader. Geen idee hoe hij er aan kwam en ik heb die documenten ergens in mijn archief. Ik heb ze destijds overgetypt. Sommige delen waren onleesbaar vandaar af en toe stukken met XXXXXXX.
De tekst was ooit in bezit van een mevrouw Hendrika Willemina Helena Geerling
Geboren 10 jul 1894 Den Haag
Overleden 18 mrt 1972 Den Haag, leeftijd 77 jaar
weduwe van
Teunis van Draanen
Zoon van Christoffel van Draanen en Maagje Helena Los.
Geboren 31 mrt 1900 Aarlanderveen
Overleden 9 jul 1946 Delft, leeftijd 46 jaar
De tekst is oorspronkelijk geschreven door Henderik van Draanen en hij beschrijft de jaren van zijn huwelijk met Anna Jacoba van Brussel. Zij was een dochter van Hermanus van Brussel en Anna Maria Jacoba Gaussen. Het is een triest verhaal maar het geeft een mooi beeld van hoe de mensen leefden en dachten in die tijd.
Ik had een tijdje mailcontact met Ton van Draanen. Die zocht ook de stamboom uit van zijn voorouders en hij kende het onderhavige document. Ik vroeg hem naar aanvullingen van de onleesbare gedeelten maar hij was erg terughoudend daarin. Hij vertelde me dat de familie geen prijs stelde op publicatie hiervan. Tja ….
Het is een dramatisch verhaal met hoogten en diepten in het leven van Henderik van Draanen. Tekenend voor de tijd waarin hij leefde en ook voor hemzelf natuurlijk. Inhoudelijk interessant voor ons wordt het verhaal als hij schrijft over zijn dochter, zijn oogappel, die hem en zijn gezin in het verderf stort omstreeks 1860.
Henderik schrijft:
Onzen Jongsten dochter, die met het 18e jaar hare belijdenis aflegde, en toen als gebruikelijker wijze, met hare Moeder ter Avondmaal ging, was in de laaste Jaren Zeer Knap opgegroeid, en ons een Lust en Vreugde Was in onze Klimmende Jaren. Zij was ons alles, Ja de Ziel ons levens, Ja ons oogappel. En zie daar, tot onzen Schrik, en zelfs onze wanhoop en Zielsverdriet, onze Schande, onze minachting onze hoop op de Toekomst, alles in eens den bodem ingeslagen en Verijdeld!
Zij Was Zwanger!
Dit ging over:
Hendrika Jacoba van Draanen gehuwd met Maarten Krabbé.(in het schema hieronder Martin genoemd)
Ko, zoals ze werd genoemd, was geboren 22 jun 1844 te Oudshoorn en deze Maarten is een nabije voorvader van bijvoorbeeld Jeroen Krabbé, en Martijn en meer van die bekende Nederlanders.
Zie HIER
Van een geschrift van Henderik van Draanen, geboren 10 Juli 1803, overleden
14 April 1874 te Gouda.
Het origineel van dit geschrift berust bij Mevrouw de Wed.H.W.H. van Draanen-Geerling,
Waalsdorperweg 117 te ’s Gravenhage.
Genoemde mevrouw van Draanen is de weduwe van Teunis van Draanen, een kleinzoon
van de in het geschrift genoemde Christoffel van Draanen, een zoon van de
schrijver van het stuk en een broer van Jan Hendrik.
-0-0-0-0-0-0-0-0-
HUWELIJKS CRONIJK
EN GEBOORTE REGISTER VAN
HENDERIK VAN DRAANEN
EN
ANNA JACOBA VAN BRUSSEL.
Beginnende met den Jare 1828 wonende alstoen te UTRECHT.
-0-0-0-0-0-0-0-0-
Ik HENDERIK VAN DRAANEN C.z. Geboren te Utrecht 10 julij 1803.
Mijne Ouders waren uit den fatzoenlijke burgerstand.
Ik werd als eersten of oudsten zoon en Kleinzoon, zeer geliefd, van ouders
en Grootouders, met alle zorg en zeer beschaafd en wellevend opgevoed, om
dat door hen heel wat grootsche plannen voor mij bestonden: Want mijne Grootvader van Moederszijde, was ter dier tijde Burger Meester van Wijk bij duur Stede en ontvanger en gadermeester van Vijf aangrensende gemeentens, Prokureur van het gerechtshof in Utrecht, Kapitein der Schutterij enz.enz. en mijn Grootvader aan mijn Vader-zijde was een voornaam in, indistruweel en Groot Koopman.
Maar daar het destijds, in het laast van 1700 was en een Verschikkelijke tijd
was van partijschappe en partijhaat en zich daar wat veel medebemoeide, moesten zij lieden vlugten met agterlating, van al hunnen ambten en bezittingen, werd meest voor goeden prijs verklaard ten schade van mijne ouders, en verdere famielje. Mijne ouders daar door in hunnen verwachtingen teleurgesteld, moesten toen zich met een kleinen handel Vergenoegen, en gaven mij tog naar hun Vermogen een goede opvoeding tot den Jare 1812 en het begin van 1813 toen de maat der onderdrukkink Vol was Van de Vransche heerschappij; Werd mijn Vader door eenige Voorspraak geplaatst als magazijnmeester, bij de Nieuw aangestelde hollandsche troepen, die toen dadelijk moesten optrekken naar Zeeland. Al waar ik besteld werd op de Kledermakerswinkel, maar korten tijd daar geweest zijnde, kreeg ik afkeer van dat werk en Verkoos liever schoenmaker te willen worden, dat ook alzoo gebeurden al tans ik heb het geleerd, in plaats van Burger Meester of Notaris te worden.
Ook leerden ik verder lezen en schrijfen! Want mijn vader had plan om mij
als Muzikant op te leiden, hadden die Zaken in 1815 niet voor gevallen bij
Waterloo; waar wij ook bij waren. Doch het Jaar 1816 bragt zooveel veranderingen voor, dat mijn Vader zijn onslag verkreeg en wij in het burgerlijke leven moesten te rug keren. Zoodat ik verder mijn handwerk moest voortzetten, om later er mijn brood mede zou moeten verdienen. Ook legde ik er mij bijzonder op toe, om te Lezen voornaamlijk in den Bijbel en andere nuttige boeken, leerde intusschen mijne belijdenis, en was ik eene hartstogtelijke liefhebber van de Poëzij, Schreef ook andere boeken die nog aanwezig zijn en Ley mij toe op een Vroom Christelijke levenswandel. In mijn 19de Jaar ben ik voor de Militaere Stand Vrijgeloot en kort daar op als litmaat van de P.S.Godsdienst aangenomen.
Op mijn 20ste Jaar werd ik geplaast op een Kantoor te Utrecht als 2de Klerk.
En verbond mijn met een zuivere en opregte vriendschap met de Eersten Klerk,
die zoo sterk scheen te zijn als van David en Jonathan.
In die Zelfde dage kreeg ik konnit en omgang met een Meisje, dat mij het hart
bekoorde. Zij was slechts 4 jaaren ouder dan ik , maar ze der Romanex te zijn,
was zij in mijn oog een Schoonheid te meer was zij ook van fatsoenlijke burgelijke famileje, de oudste dochter van een Jonge Weduwe, die hare Echtgenoot en den bloei Zijns levens door den dood had moeten verliezen. De genoemden Weduwe bleef met zes dochters en een Zoon in de bittere noot agter zonder eenig middel van bestaan.
Echter heef Zij er in den hoogsten graad van Moedrlijke Verpligtingen, al
de kinders alles laten leeren Wat hun dienstig was om als nuttige leden de
maatschappij te kunnen op wasschen. Zij werden opgevoed in de oefenschool
van tegenspoed, altijd in huis, Godsdienstig Werkzaam, Zuinig en Zindelijk.
De oudeste dochter was het voorwerp mijner liefde en ik werd met wederliefde
beloond. Zulk een meisje, van Zulk een dusdanige opvoeding, en wel de oudste
dochter, die de steun Van hare Moeder was, doch teffens arm gelijk ik: is mijne Vrouw geworden zes jaren te Zamenin Eer en deugd te zamen Verkeerd te hebben, bennen Wij eindelijk door een wettig huwelijk Verbonden geworden.
Een half jaar voor de voltrekking van ons huwelijk was zij reeds op haar zelven gaan woonen, en was een gemaakte mutschen winkel begonnen, daar zij mede vooruit kwam, uithoofde van haar Vlijt en Zuinigheid, de Naam van Zulk een kosbaar Juweel is ANNA JACOBA VAN BRUSSEL, Wier ouders met roem en eerbied bekend waren te Haarlem en was geboren 1799, den 23 Meij.
En wij beiden bennen getrouwd 13 Aug.1828 ook was ik destijds nog op het Kantoor.
Doch zoodra mijn Patroon Vernam dat ik gehuwd was, werd ik afgedank, want
hij geen getrouwde Klerk wilde behoude.
Den eerst Volgende Winter was buitengewoon streng, en daar en booven was ik
zonder verdienste, als eenig van mijn vrouw, die tusschen ook zwanger was
geworden. Zij was zoo ongelooflijk vlijtig en zuinig, dat mijne verwachtingen
nog verre overtroffen werden.
Den 2de Maart
toen het nog Volslagen Winter was, kwam mijne geliefde vrouw ontijdig te bevallen; van Dochter die den Naam ontving van Mariea Jacoba Metta, doch de gevolgen waren een zukkelend Kraam, en Ziekbed, dat vier weken duurde, dat ons zeer krenkte, daar bij kwamen nog zwerende borste, het kind moest naar een Min! En konden geen van beide iets verdienen.
Met April 1829
Ging ik buiten de stad werken en Verdiende slegs zoo veel om de huishuur het minnegeld en mijn Kostegeld goed te maken terwijl mijne vrouw Zoo en Kwaad al zij kon haar eigene behoefte verdiende.
Bijna een half jaar is dat Kind oud geworden. Intusschen deed er Zich weer
iets anders op, dat ons in hoogste Vreugde Vreugde Stemde voor de toekomst,
Naamlijk kwam die oude Vriend bij mij, en sloeg mij voor Zaamen eenen Zaak
te beginnen daar beide een goed burgerlijk bestaan van zouden kunnen krijgen,
het Spreek van Zelve dat ik zulk met vreugde aannam: maar daar ik zeide, dat
ik geen middelen bezat om zulk een compagnieschap te Zaamen te drijven, antwoorden hij mij, dat is niets, gij moet de uitvoerende persoon zijn. Op Uwen naam moet gij voortgaan, en ik zal de gelden beschiken. Want hij had een meisje getrouw, die goed bemiddeld was, en bovendien een vriendin van mijn Vrouw.
Gij kunt het nuwe huis bewonen en ik blijf in de woning van mijn vrouw.
Maar gij moet onder Uw naam, de zaak zoeken klaar te krijgen, gij moet een
huis koopen of huren en alles wat betrekking op of voor onzen zaak nodig is
moet gij bewerkstelligen.
Drie maanden aan een en ander besteed alle bemoeijing, en werk verzuimd, en
alles en alles in orde gebracht, de tijd van verhuizen was bepaald. Wij zeide
onzen woning op, hetwelk dadelijk weder gehuurd werd, door andere menschen.
Twee of drie dagen voor dat wij zouden verhuizen, koomt mijn Vriend naar mij
toe en zeide gladweg, Van Draanen, dat huis moet ik zelfs bewonen, want mijn
huis heb ik verkocht en dan kan je ook deelxxxxxxxxn, als U geen f 1500 kan
storten, Dat was als een donderxxxxxxxxxxx ons huisje weg en de goede verwagting in Rook vervlogenxxxxxxxxxxj hadden een Vriend leren kenne maar ik toch eenige Verxxxxxxxxxxxe moest xxxxen en het toch al nader naar den Winter ging, bood xxxxxx aan of Hij mij dan als Klerk wilden aanvaarden. Dat heb ik U xxxxxxxxxxxxx maar ik achte dat te vernederend voor U zou xxxxxxxxxxxxxx dorst U dat niet voorslaan.
Zes weken heef dien Vriend mij nog opgehoude, en zeide mij toen geheel af.
De Eersten September van dat zelfde Jaar
Weder aanvraag van Zekere Jufvrouw, een kennis van Mijn Vrouw, die handelde
in Kanten en Mutsen en mijn vrouw zeer bekwaam was in het maken van Mutsen,
gingen zamen accoord aan, er werd een groot huis gehuurd en de twee vrouwen
betrokken hetzelve en ik zette zoo veel in mijn Vermogen was mijn handwerk
door.
Maar nog geen maand duurde die compagnieschap door de willekeur en Overheersing die mijn Vrouw te leiden had, dat zij wegkwijnde van Verdriet. Maar wij in Utrecht geen voor ons geschikte woning konden vinden; Deed er eerst met November voor ons eene gelegenheid voor, op het dorp Maarsen een en een half uur van Utrecht Naamlijk Een Schoen en Laarzen Winkel die door de vorige bezitter veronachzaamd was door dronkenschap van den Man en slordigheid van de Vrouwe Want er ware nog 2 grotte dochters, een luije Zoon.
Wij aanvaarden die gelegenheid met Nov.1829 maar den winter viel zoo vroeg
in dat met 15 Nov. Alle Waters al dicht vroren en duurde tot in Maart 1830.
Zoo dat wij daarxxxxxxxxxwinter te verduren hadden in een vreemden plaast
zonder werk of negotie maar Zigbaar werden wij ondersteund door God onzen
lijdsman.
Het voorjaar brak aan, en tegelijk ook werk en Negotie, dat wij goed ons brood
hadden.
Den 19 Augustus 1830,
werd ons een zoon geschonken die bij den doop de naam ontving van CHRISSTOFFEL.
Maar mijne vrouw die door zeer zware en doodsgevaarlijke verlossing zoo veel
geleden had, de zij negen weken kraams was, eer zij weder op been kwam.
Den 1 februarij 1831
Veranderd van Woning om dat wij ondervonden een grotte last en onaangenaamheden hadden van wantluizen.
Zochten wij een andere woning, maar daar wij anders geen huis konden krijgen
als daar kruideniers afvare werden uitgeoefvend en wij daarbij de gehele omslag van Zaken daarbij moesten overnemen, bennen wij bovengemelde datum met zulk een winkel bij den Schoen Winkel begonnen. Maar daar bij geld hadden moeten laenen op intres en wij uit de twede hand onzegoeren moesten inslaan, en ons veel werd afgeset gingen daar mede agter uit dan voor uit.
De 23 Julij 1832
werd ons weder een Dochter geboren die bij den doop den Naam ontving van Cornelia Mariea dat allessins zeer voorspoedig ging met Kraamvrouw
en Kind.
Terdiertijd werden wij door onzen huishaer zelve, op een Zeer bedrieglijke wijze behandeld daar hij ons in alle onzen handel zeer listig wist te onderkruipen, zoodat wij binnenkort niets meer te doen hadden. Want hij zelfs weder met zulk een winkel begon als wij van hem hadden overgenomen en bovendien ook nog schoenen en muillen ging Verkopen dicht in onzen nabijheid.
Alstoen ben wij begonnen met kostgangers te houden, Zelfs tot 7 toe dat mijn Vlijtige Vrouw alleen bewerkte. Zoolang als het Zomer was ging alles goed Maar toen het Winter was kwam den een al meer te kort als den ander, en de belofte om dat met zomer weder aan te zuivere, maar toen het voorjaar werd, gingen den een na den ander weg en wij hielden de pretentie. Zoodat wij met den
1 May 1834
weder onder ons eigen huishouden waren maar beide ondernemingen van kruidenierswinkel en commecalen, driehonderd guldens verspeeld hadden dat een geheel rewien voor ons was. En daar en boven onzen schoenwinkel ook erg was agteruit gegaan.
Zoodat onze omstandigheden zeer drukkend en zorgelijk werden. Echter hadden
wij altijd nog een stille hoop op een Rijke Erfenis, die aan mijn Vrouwsmoederzijde te goed was in Braband, doch daar onzen Moeder te goed van vertrouwen en te lichtgelovig was, had zij alle hare bewijzen, en een Volmagt toe Vertrouwd, omdat voor haar te beheren, aan een vreemde heer die zeide zeer goed met de famielje bekend te zijn. Doch helaas heef zij nimmer meer iets van hem vernomen.
28 Junij van dat zelfde Jaar
is mijn vrouw weder bevallen van een zoon, dat echter bij de geboorten is overleden, waarbij zij ook weder zeer veel geleden heeft.
In die zelfde treurige omstandigheden, met meer en meer ageteruitgang, op
den 1 Nov. Van datzelfde jaar
Weder naar Utrecht gaan woonen, alwaar wij ons werk en negotie met alle mogelijke vlijt voortzetten, doch alle onze in Spanning en moeite bleef zonder eenige Vrugt, wij waren arm en bleven arm en sukkelend, zelfs zoo, dat wij ons bed naar de bank van Laening moesten brengen, om een gemaakte wissel te kunnen betalen, daar al mede onzse klok en al ons goud en zilver en kleren bewaard werden.
Den 1 October 1835
is geboren JAN HENDRIK. Ook te dier tijd hadden wij nog twee gemeubileerde kamers verhuurd, dat ons nog eenigermate onder steunde Maar ik zag en ondervond, dat ik nimmer mijn brood zou kunnen verdienen te meer daar het hart aanspoede om weder in de winter te zitten, en ik weer zeer bang was weder kouw en honger te moeten lijden, deed ik alle mogelijke moeite om elders weer aan werk te komen; dat mij ook gelukte. Naamlijk te Woerden, waar ik huis en winkel huurden, en dat ik al dadelijk geheel alleen ging betrekken,
naamlijk op
15 October 1835.
Want ik mijne Vrouw en drie kinderen voor eerst niet wilden medenemen Voor en al eer ik zag en onder vond dat ik mijn brood zou kunnen verdienen, dat mij echter door Gods hulp mij ook zeer goed gelukte, ondanks mijne bekrompene contante, bracht ik het daar binnen zeer korten tijd, tot een burgerlijke broodwinning, en Verlangde als toen mijne vrouw en kindere bij mij te hebben, want daar ik mijne Vrouw iedere week moest ondersteunen en hare huishuur moest betalen, werd het al zoo een dubbel huishouden.
Maar daar zij volstandig bleef weigere om mij niet te willen volgen, was ik
niet wijs genoeg wat te doen, mijne halstarrige vrouw en drie kinderen aan
hun lot over te geven dat ik ook niet aan mijn hart kon hebben en ze te blijven onderhouden, dat kon ik op den duur niet uithouden. En daar zij mij Goude bergen beloofde, als ik weder terug wou komen, want er nu werk genoeg was in de Stad, en zij het van haar kant het ook zeer druk had. Te meer daar het grootte studenfeest op handen was, en onze Kamers in die week konden en zouden Verhuurd worden voor 80 gulden Want dat deZelve daar voor opgeschreven waren want dien heer die ze laats bewoond had was overleden.
Alte maal mooije praatjes, met bidden en smeken dat ik tog maar terug zou
koomen. Ik nam in Godsnaam besluit; ik verkocht mij geheele boel, ging leegslijf naar Utrecht, ik had geen cent Schuld in Woerden en bracht nog 50 mede aan geld!
Toen was ik weder ’t huis! En mijn vrouw had haar zin
Den 5den April 1836.
Weder in Utrecht gekomen, maar verdienden geen Zout in de Knolle (zooals men
zeg). Op 1 Mey verhuurden ik mij als Schilders Knegt, en ik moest mij als
toen half door zwouwen aan Verftonnen en ladder en trappen, dat ver boven
mijn kragten ging, en slegs maar drie gulden in de week verdiende, en echter
duurde dat ook maar kort, want toen die grootte drukte voorbij was van dat
grootte studente feest, kreeg ik alras weder gedaan.
En de zelfde zukkelingen en armoelijden stont weder voor de deur te meer daar
de winter op aantogt was.
Maar ook alle die praatjes, van de kamers te verhuuren en dat er zoo veel
te verdienen zou wezen is alles op een niet uitgelopen.
Daar om nam ik het besluit, om andermaal buiten de stad te zoeken, en mij
niet langer door mijn vrouw te laten mislijden. Ik begaf mij op reis met voornemen om op het eerste dorp het beste, daar ik een geschikt huis kon vinden, dat te huuren, dat mij na twee dagen gelopen te hebben gelukte op het dorp Oudshoorn, nabij Leijden, 7 uuren van Utrecht . . . . .
Maar nam ook stellige voornemen, met vrouw en kinderen en het gehele huishouden alles tegelijk mede te nemen, zoo als ook gebeurde. Na alvorens eenige groote meubelen te verkopen, als mangel, staand horloge, een zeer groote uitsteekkast enz.enz. dat ons dienen moest voor rijsgeld, voor Leder en om het een week of wat te kunnen uitzien.
Den 17de December 1837
kwamen wij in onzen nieuwen woning des avonds om 10 uuren, de goede buren bezorgden ons Vuur en licht en maakten ons nachtleger gereed en wij naame onzen rust.
Den morgen daar op volgende, kregen wij van alle kanten werk en het verkopen
ging ook buiten verwagting druk en de Goede God was zigbaar met ons zoodat
wij al den daerop volgende Zomer al met zes knegten werkte.
1837 7 Junij werd ons weder een dood dochtertje geboren.
1838, 1839 de Zaken gaan met Gods hulp aller gezegends vooruit.
Als toen een houten kraam laten maken, waarmede mijn Vrouw op eenige kermissen
reisde, met Laarzen en Schoenen.
1840 22 April
werd ons weder een Zoon geboren, die den Naam ontvong van Carel.
Maar in tusschen ons huis onderhuurd werd, moesten wij met de daar volgende
Meij Verhuizen, en er was voor ons geen andere gelegenheid, als een klijn
bouvallig huis op een ‘sWekelijkse huur van f.3.15, en wij moesten daar en
boven nog voor 85 guldens aan oudbakke garen en band overnemen.
Daarbij kwam nog, dat alle onze winkelopstal, uithangbord en Zonschermen moesten vermaak worden, waardoor wij nog buiten verlies aan negotie, zoo wat wij f.300.- guldens mede verloren hebben.
Den 11 December van dat Zelfde Jaar
stierf ons zoontje Carel, Een allerliefst en aanvallig kind in den ouderdom van 20 maanden.
Den 1e februari 1842
weder naar onzen eerste woning vertrokken tot onzen grootte
blijdschap en groot voordeel alwaar wij 14 agter een volgende Jaren met Gods
merkbare Zegen gewoond hebben.
Den 20 februari 1843
is mijn (vrouw) weder doodsgevaarlijk van een dood Zoontje verlost door twee Meesters.
In de eerste Zeven Jaren van ons dorpsleven, om een blijk te geven van onzen
voorspoed, en door Vleit en Zuinigheid aan buitengewone aanschaffingen Van
Meubels, goud en zilver en winkelmeublemend, uitgaven gedaan van meer dan
4000 gulden, naamlijk tot Ultimo December 1843.
Mijn Vader overleden in April 1843.
1844 is geboren Henderika Jacoba den 21 Junij.
De Zaken gaan nog naar wensch, niettegenstaande eenige Ziekten met de kinderen
en met mijn Vrouw en mij.
1845 de aardappelen Ziekte, C(h)Olera brengen eenige teruggang in onze Zaake
de duurte der levensmiddelen, de armoe onder den dagloner, werken al te zamen
tot vermindering der Negotie.
1847 is September, mijne Vrouws moeder overleden.
1848 Augustus Mijn Moeder Overleden.
1849 Januarij Mijns Vrouws zuster overleden aan Colera te Utrecht, waar van
de nalaten heeft bedragen f.70.00
1849 Februarij Een huis gekocht voor f.2500.- doch 2000 Hijpotheek, om ieder
jaar af te lossen, was dat echter voor ons al heel zwaar, daar kwamen nog
bij f.300.- aan Reparatie en nog f.170.- aan transport. Zoodat een en ander
heel wat zorgen veroorzaakte.
Doch hadden wij het geluk van gezondheid teffens een ordentelijke Negotie
en Werk. Niet tegenstaande dat wij om alle kosten goed te maaken voor 300
guldens aan goud en zilver verkochten.
Ter Zelfder tijd, is mijn oudsten Zoon Christoffel in de loting gevallen en
juist met het betrekken van onzen niewen Wooning als xxxxxxxxxxx, ook is hij
in de Gereformeerde gemeente tot lidmaat aangenomen in den ouderdom van 19
Jaren, ook in de zelfde drukke dagen. Ook heb ik die dagen door Zwaar te tillen of beuren met verhuizen of door andere oorzake het ongeluk gehad van een Breuk te krijgen in de Linker Lies, en Kort daar na in de regter, waar door ik zware en smartelijke pijnen doorleed, en niet meer in staat was mijn werk te kunnen verrigten. Een, en een half jaar xxxxxxxxx blijvende loopen, omdat ik zulk een ongeluk niet durfde of wilde openbaren aan mijn vrouw eens deels om haar niet te doen schrikken en omdat ik de kosten niet kon doen, om een goede band te kunnen bekomen. En echter verkeerden ik tog altijd in doodsgevaar, daar ik maar voor gaf pijn in de buik te hebben als de Smerte mij drongen te moeten gaan liggen.
Eindelijk de pijn niet langer kunnende uithouden heb ik bij gelegenheid, dat
mijn Vrouw naar WOERDEN was met de schoene kraam, daar 16 dagen mede gemoeid
was, Met den Chirurgijn geraadpleegd, die mij dadelijk in behandeling nam,
en mij mijne nalatigheid en mij mijne vrouwen vrees scherpelijk verweet.
Mij toe Snouwende, daar ik het met de dood worstelende de Zelve had getrotscheerd, en duizend wonder was, dat ik al voor lang niet was bezweken.
Xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxen, en onlijde
Xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxweder te huis
Xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx, of er niets gebeurd was.
Echter moest ik volkomen der meesters bevel na komen en mij in alles houden
en gedragen naar Zijn bevel en goeden raat als naamlijk niets geen zwaar werk
doen, of eenige sterke bewegingen, of buigingen te veroorloven alsmede alle
scherpe en winderige spijzen of dranke Verboden. Echter was ik daar erg mede
in de war, daar mijn vrouw altijd zoo aan mijn hulp gewoon was. Vijf jaren
heb ik echter gezwegen, tot zoo lang zij mij eindelijk ging ongenoegen maken,
en verwijten, dat ik niets meer voor haar doen wilde. Eindelijk na verloop
van vijf jaren heb ik alles opgehelderd.
Zij was toen zeer te moede, en behandelde mij iets zachter en was wat meer
inschikkelijk.
1852.
Nog dagelijks lijde ik nog veel pijn en smart.
Den 6de Junij van dat zelfde Jaar
is onze oudsten zoon Christoffel getrouwd met W.F.Ott alvorens met een Verzoekschrift daartoe de vrijheid had verkregen, en alstoen te Moordrecht
gaan woonen, als schoenmakersbaas, daar hij door Eerlijkheid en Vlijt zijn
dagelijks brood verdiende.
Onze zaken beginnen al meer en meer slapper te gaan, door de vele winkels,
die er gestadig bij komen, en door de algemene Slappe Verdienste. Tot eenige
tegemoed koming, voor onze zware laste gingen wij over tot eenige gedeeltens
van ons huis te verhuren.
1853 Onzen Oudsten Dochter Cornilia Maria dit Jaar aangenomen in den Ouderdom
van 21 Jaren en getrouwd 31 Mei Met P. den Hoed van beroep schoenmaker en
gaan woonen te Overschie.
Den 13 AUGUSTUS 1853.
Onzen 25ste huwelijks Verjaardag gevierd zoo wel in het Godsdienstige van
Openbare Godsdienst oefening als in huis in alle ordentelijkheid met een vriendenkring van Kinderen en broeders en Zusters en eenige Goede Vrienden.
Zo is alles Ep, en Vloed, deze agter den rug zijnde 25 jaren Van ons huwelijk, hebben God dank! Wel dubbel blijken van Gods Zegen en hulp en bijstand duidelijk doen blijken en doen ondervinden; en hebben ons gehart en bekwaam gemaak, om ons Juk andermaal op de Schouwders te nemen onder gelovig en vertrouwenlijk opZien tot Hem die ondenkbaar lot in handen heeft en het alles doet uitlopen naar Zijn Wijze plannen, die Hij weet wat voor ons het beste is, voor tijd en voor de Eeuwigheid!
Dikwijls wel is het water tot aan de lippen gekomen, onoverkomelijke bezwaren
hebben ons gedrukt, dikke zware zwarte wolken hebben ons boven het hoofd gehangen onoverkomelijke Bergen, met drijgende vernietiging schenen ons te Verpletteren.
Doch, God dank, tot hier toe bewaard, geholpen en in alles ondersteund!
HEM ZIJ DE EER, en DANK.
September daar aan volgende
het grootste gedeelte van ons thuis verhuurd. Werk en Negotie nemen bij den dag af. Verbazende duurte der levensmiddelen het Heerschen de Colora, gerugten
Van oproer en Oorlogen, alles werk te zamen tot een Volslagen ondergang van
vele, en ook wij gevoellen ook tansch de druk der tijden.
15 October 53.
Ons geliefd Staand Horlogie Verkocht, voor de Som van f.52.00.
De meeste kermissen zijn afgeschaft of uit gesteld, waardoor ook wij verstoken
bennen geworden, Van nog eenige Verdienste zoodat wij de Schoenen Kraam hebben
gesloopd en tot andere einde hebben gebruik.
Zeer slecht en ellendig gaan de Zake zoodat wij met Schroomagtige angst valligheid de winter te gemoed gaan.
4 November 53.
Onzen Zoon en dochter Van Overschie, bennen naar verloop van een half jaar weder hier ten onzen huise komen wonen, omdat zij daar ter plaats geen genoegzame brood winning hadden.
De winter van 1853 en 1854 is bijzonder zorgvol, en armoedig doorgeworsteld,
te meer daar ons huisgezin zoo zeer bezwaard was, en alle levensmiddelen buitengewoon hoog in prijs gestegen waren, werk en negotie staan genoegzaam stil, en wij geraakten hoe langer hoe meer agter uit.
Doch een stille hoop en Vertrouwen op Gods bijstand, geeft ons nog eenige
kracht. Eindelijk is het Mei 1854 door de duurte de levensmiddelen blijven
de Verdienste slegt.
Onze Zoon en Dochter bennen door een Erfenis, aan Zijnen Kant gevallen, Ruim
in staat gesteld bennen als toen in Gouda gaan wonen, hebben een ordentenlijke
Laarzen en Schoenen winkel opgezet, en hebben ons uit dankbaarheid en erkentelijkheid met liefde behandeld en naar hun vermogen beloond.
1 Meij 1855
is onzen zoon Christoffel met vrouw en kind, weder tot ons in huis gekomen, Omreden zijn huis op Moordrecht verkocht was, en hij aldaar geen andere woning kon krijgen; doch Echter naar verloop van 4 Weken, is hij Weder op zichzelven gaan wonen doch Echter moeten wij hem, nog gedeeltelijk van Werk en Verdienste Voorzien, dat ons wel zeer bezwaarlijk valt, om dat onze Zaken zelfs zeer slegt gaan.
Het jaar 1855 is bij uitzondering kenbaar aan toenemende duurte de levensmiddelen, aan verminderde Verdienste van Werk en Negotie aan agter uitgang in alle omstandigheden.
Echter door Gods goedheid, mogten wij nog gezondheid genieten, doch Somtijds
zeer moedeloos en verdrietig. Wij moesten Rente en aflossing en belasting
betalen, dies het water kwam aan de lippen. en God schikten alles ten goede
en ons deerden geen kwaad, als dat wij ons overal in bekrimpen moesten en
veel moesten ontberen.
De hier op volgende Winter van 1856 is zeer zorgelijk en in waarheid armoedig
doorgeworsteld, en hier volgende voorjaar trof ons het ongeluk dat het gehele
dak van ons huis afstormde, dat slechs maar met riet gedekt was, en bijgevolg
toen er eerst een gat in kwam, spoedig de hele boel Er af waaide, toen was
goede raat duur! En waren in de gedwongen noodzakelijkheid een geheel niew
te laten maken, en wel met planken en pannen, daar een kosten van 400 mede
gemoeid was. En hoe daar aangekomen, ik nam mijn toevlucht tot den Hypotheekhouder om mijn Perzeel weer in Verhoging te brengen zonder kosten.
Maar iedere Week f 2.00 zou afdoen, in den Vorm van geleend geld zonder intres, en daar gaf God Zijn Zegen op, en alles gelukte en hoopten verder op Niewen Zegen!
4 Februari 1856
is geboren Cornelia Mariea Dochtertje van P. den Hoed en onzen oudsten dochter C.M. alstoen woonachtig te Gouda.
1857
De Winkel en het werk gaat bij voortduring zeer slap door de Vele conkurentie.
De vrouw van onzen Zoon Christoffel W.F.Ott overleden 4 Augustus 1857 nalatende een ziekelijk meisje van 6 jaren welk kind wij bij ons namen, en op voede en verpleegde, omdat onzen zoon, die alstoen alleen leefden te verligten.
Dit Jaar loop Weder teneinde en de Ziekelingen en de zorgen nemen nagenoeg de overhand, daar wij den Winter tegemoed gaan zonder eenige proviesie, of geld, of werk of negotie, daar alles genoegzaam Stilstaat. Echter zijn wij gezond, en God beware ons voor rampen, en Sterkt ons, in onze hachlijke omstandigheden.
Doch ziet op den
22 Dec.1857,
Koomt er een blijde tijding, Naamlijk dat er een Oude Jufvrouw Van onzen kennis, die wij in een begravenisfons hadden, is overleden en welke premie van uitbetaling bedroeg 76 guldens, dat echter Spoedig wederuitgegeven was, aan belasting en aan geleend geld.
1858
Na overeenkomst, met Hypotheekhouder en den timmerman, den Winkel vergroot
op hoop van meerder groei in de zelve te zullen krijgen, Hetzij door een 2de
Hypotheek, hetzij door borgen of geldleening, of wissels dat ik op heden 25
Januari 1859 nog niet weet.
15 Maart
daaraan volgende f.180 geleend tegen 10 perc. En waarborg van ons Meublemend en wel om ’s maandelijks f.10.00 terug te geven, maar door bedrigerijen
van den geldlener, en het gedurig dringen en jagen, en drijgen, om meer en
meer terug te hebben, hebben wij een aller zorgelijksleven. Ook zukkeld mijn
Vrouw bij voortduring aan de koors, en werk en negotie gaat zeer slap.
Mijn zoon Christoffel is ook weder getroud met Naatje Bergman Van Utrecht.
Zijn kind weder te huis gehaald, en heef ons ter nouwernoot, een Woord van
dank daar voor gegeven.
Ook is hij schoenen en Laarzen gaan verkopen, dat alles behalve in ons voordeel was, daar hij de negende concurend werd in mijn fak, in den korten tijd van 7 Jaaren, zoodat er voor ons niet veel meer overschoot. Onzen Zoon Jan Hendrik is ook in dat Jaar Voor Zich Zelven gaan zorgen, met uitzondering van Wasschen en naaijen, en heef zich te Moordrecht neder gezet als koopman in Lompen dat hem goed gelukte.
Onze Zaken gaan bij voortduring de Kreeftengang, Van Week tot Week slegter,
Ja Zoodanig dat wij soms moeten vasten, en van tijd tot tijd wat moeten verkopen, om in het leven te blijven, al wat eenige waarde had werd verkocht of beleend.
Zoo dat wij een kostelijk bed Verkochten voor f.20.00 om belasting te betalen.
Onze grofve meubelen hebben wij zoolang bewaard als eenigszins mogelijk was,
om dat die ons nog in de dringenste nootzakelijkheid nog zoude kunnen redde
doch de behoefte gaat al hoger en hoger, Zoodat wij door Broers en Zuster
en kinderen en Neven en nichten met levensmiddelen ondersteund worden, Zoo
kwam mijn Schoonzoon P. den Hoed, en mijn Zoon Jan, in het barst van den Winter, des morgens al zeer vroeg, door weer en wind en het dikste van de Sneeuw Van die nacht al 5 uuren loopen, om ons met eeten, brandstof en geld te ondersteunen.
Maar het gekste was, dat daags tevoren onzen schoorsteen was afgewaaid, wij
konden wel stoken maar zaten erg in de Rook zoo dat wij buiten in de bleek
moesten stoken.
Dat hete ik eerst brave Kinderen en was daar zeer dankbaar voor doch mijn
oudsten Zoon, die toen hij bij ons inwoonde, omdat hij had moeten verhuizen
en in die dagen geen woning kon krijgen, zich nog ontrok, om een Schop kolen
te lenen dat kon ik niet dankbaar heten.
Nog hadden wij eenige Laarzen en Schoenen en Petten in commissie in den Winkel
maar de Negotie stond geheel stil. Het is
Niewjaar 1859,
wij zijn Goddank gezond en hopend en Vertrouwend op God! Die ons al zoo veel Jaren in al onze bange zorgen ondersteund heef, en die een iegelijks lot in handen heef, en naar Zijnen Wil en beschikking alles regeld naar Zijn Welbehagen, en Wijsheid liefde en trouw, en ons als zoodanig beproeft, of wij Zoo Wel tegen Spoed teleurstellingen en armoede gelaten en Vertrouwend kunnen dragen, om ons later te Zijner tijd weder uitredding en niewen Zegen toe te schikken als wij daar vertrouwend om blijven bidden.
Zeer Zuur en onstuitbaar Verdrietig waren onze omstandigheden en de verdienste
Zeer gering, Zoo dat zij lang niet toe rijkende waren voor een zober maal
eeten of om droog brood te kunnen bekomen, laat Staan nog om onze aflossing
rente en belasting te kunnen betalen. Zulk een Stand van Zaken kon niet blijven bestaan, zoodat wij alle mogelijke moeite aanwenden om een tweede hypotheek op ons huis te krijgen.
In die Zelfde benoude dagen, woonden Onzen Zoon Christoffel bij ons in huis, in een apartemend, deed al het werk alleen, en dreef den winkel net of wij er niets mede nodig hadden en moesten maar van den wind leven, Zoodat de onaangenaamheden Van dag tot dag ondragelijker werden, Waarom ik hem de huur op Zij tegen Meij.
Doch door de Stijfhoofdig Van mijn Zoon Vertrok hij al met half Maart, nam alles Uit den Winkel mede, en den man die ons eenig goed in den winkel had gegeven kwam ook alles weghalen, zoodat wij niets in den winkel overhielden, als leege planke. Toen waren wij tootaal geslagen, en wisten geen raad of uitkomst.
Doch bij God! was raat en Uitkomst!
In April werden wij uitgered door een 2de Hypotheek van f.500.00 waar wij
de nodigste schulden betaalden, zoo dat wij f.250.00 overhielden, om onsen
handel op niew voort te zetten, daar wij bijzondere Zegen op hadden en kwamen
weer goed vooruit. Ook kreeg ik nog een borg van f.200.00 voor Leeder, kocht
verder op wissel van 3 of 6 maanden, en Zoodoende kwam onzen winkel vol, die
wij drie Jaren vroeger hadden laten Vergrote.
1860
De Zaken gaan God dank weder goed en wij begonnen weder te herleven.
Doch het duurde niet lang of er kwam weder een scherpen doorn in ons Vleesch
en hart die ons na Verloop van drie Jaren weder tootaal vernietigde.
Wij hadden alzoo dertig jaaren in Zoet en Zuur in Zoet en Zuur, als goede
en knappe burgers, en in Kerkelijke, Zoowel als in burgerlijke gemeenschap
onbesproken geleeft en waren daarom geacht en geprezen en nog al hoog aangeschreven.
Onzen Jongsten dochter, die met het 18e jaar hare belijdenis aflegde, en toen
als gebruikelijker wijze, met hare Moeder ter Avondmaal ging, was in de laaste
Jaren Zeer Knap opgegroeid, en ons een Lust en Vreugde Was in onze Klimmende
Jaren. Zij was ons alles, Ja de Ziel ons levens, Ja ons oogappel. En zie daar,
tot onzen Schrik, en zelfs onze wanhoop en Zielsverdriet, onze Schande, onze
minachting onze hoop op de Toekomst, alles in eens den bodem ingeslagen en
Verijdeld!
Zij Was Zwanger!
Zij had een geheime bijeenkomst gehad met een bejaard oud, maar Rijk heer
die haar had verleid en haar overladen met geld en precenten, daar wij in
de Verste Verte geen erg, of kwaad Vermoede Van hadde. Goeden raad was duur!
Door haar bedrog, Schijheiligheid, en huichelrij had zij zich zelfs, en ons
met schande overgoten, en onze levenslust was weg, Ja Zelfs is dat aan haar
moeders gezondheid groot nadeel aan toegebracht.
Wij aldaar in die plaast niet willende blijven woonen, Verkochten ons huis,
de Winkel Verkochten wij genoegzaam ledig, offerde alle onze genoegens op
en gingen naar Schravenhage ter woon.
Onzen handel of broodwinning ging zeer slegt en konden niet half bestaan,
en buitendien hadden wij een groot Verliest, met de Verandering, Van woonplaast, aan gemakkelijkheid en Vrisschen lucht, en aan de aanhoudende drukte en onrust dier Stad. Nouwelijks woonden wij daar 4 maanden, of onzen dochter beviel van een meisje dat den naam ontving van Cornelia Henderike Jacoba van Draanen, naamlijk op 1 Oct. 1864.
De herstelling ging zeer langzaam. Zij was te zwak om zelfs te laten zuigen,
dus werd het bijgevolg een Kind dat zonder moedermelk maar met andere middelen
moest opgekweekt worden, dus bij gevolg, nog meer drukte en onaangenaamheden
op onzen Ouden dag.
Wij hadden aan dien Ouden Heer alles bekend gemaak, die alstoen ook rondborstig Verklaarde Er Vader van te Zijn!!!! Beschikte ons 40 gulden in de maand Voor het Verlies Van onzen brootwinning en tot Verpleging en Opvoeding Van het Kind dat door onze Zorgen en oppassing, zeer lief ontwikkelde, en wij hetzelve zoo lief kregen, als ons eigen Kind Want de Moeder er zich zeer weinig mede bemoeide, eensdeels uit zwakte en andeels uit onverschilligheid.
Onderscheide male liet de Vader van het Kind zich bij ons zien! Uit belangstelling Voor het Kind en Moeder. Toen hij eens op zekeren tijd aan onze Verlijde, en ongelukkige dochter, een afkoop, van gene regten op hem te maken, aan haar een som van f.1200.- ter hand stelde onder belofte van later nog meer te zullen doen, als hij er de gelegene tijd voor zoude vinden.
Onze dochter, Langzaam aansterkte, en al weder al eens uitging, van tijd tot
tijd, al drukker, naar het weder en de omstandigheden het toelieten, had zij
intusschen weder een liefden onderhandeling aangegaan ook weder geheel buiten
ons weten of voorkennis, met een gemeen Soldaat, die naar Verloop Van eenige
Weken, Kwam Vragen om de toestemming te geven, om de Verkering te mogen hebben
met onzen dochter, daar wij volsterk geen zin in hadden eens deels om zijnen
lagen stand in de maatschappei, en om Zijn Slegt gedrag in het burgerlijke
leven is hij soldaat moeten worden en is alstoen door zijn allesins fatsoenlijke en welbemiddelde ouders, niet meer erkend als Zoon, en met zulk een persoon is onzen dochter, tegen alle Verbod en dwang, en goeden raat, niet willen horen of luisteren, haar gang blijven gaan.
De ongenoegen nemen dagelijks toe hare moeder en mij doet zij Ziels Verdriet
aan, er geen levenslust of vreugde meer in ons huis, of in ons hart. Op zekeren dag zou zij is met onze toestemming naar hare tante in Utrecht gaan Logeren, voor 14 dagen, ik breng haar zelfs naar de Spoor. Doch naar verloop van 4 dagen schrijf ik naar Utrecht hoe of onzen dochter het maak, of zij nogal plazier heb, enz.
Wij kregen dadelijk een brief te rug, dat zij niet van onzen dochter gehoord
of gezien had toen kreegen wij eenige Erg, en agterdocht, Wij gingen haar
Klederen en goud en Zilver haar Spaarpot na, en vonden niets meer, en bovendien had zij nog f.600.- aan geld mede genomen uit ons Kabinet.
Zij had ons niet nagelaten dan haar Kind en twee bedroefde en Verslagen harte,
en mijn Vrouw kreeg een slepende Ziekte.
Zij was met haar soldaat naar Londen gevlugt en daar kwanswijs getrouwd, omdat
wij geen toe stemming wilde geven.
Zoo bennen wij van onzen jongsten dochter in onzen ouden dag behandeld, door
Leugen en bedrog, dat aan haren moeder, naar alle waarschijnlijkheid haren
dood zal bevorderen.
1868 24 Junij
Nouwlijks een Jaar na hunne Schandelijke Vlugt en ontaarde handelswijse
alles in armoede Verteert te hebben dat zoo f.1200.- als geld, goud, zilver
en klederen en linnen goed (enz) bedroeg, te hebben opgemaak, bennen zij beiden en een klijn kind van 6 weken oud, dood arm, half nakend en uitgehongerd en door en door nat en Vermoeid, in den Nacht weder aangekomen, God Sterkte ons! en bestuurde ons hart, dat wij ons gedraagde, als den Vader van den Verloren Zoon!
De man (of zoo genaamden) moest dadelijk naar de gevangenis, om dat hij gedisserteerd was, en onzen dochter bleef weder te huis tot hulp in het huishouden en om haar zieke en zwakke en treurende Moeder op te passchen.
Dagelijks worden de moeiten en onaangenaamheden ondragelijker, een dubbel
huisgezin, de broodwinning gaat zee slegt zoodat wij hoe langer hoe meer agteruit gingen, daar bij kwam nog de kosten aan de Docter en aan den Apotheker en zware huishuur, zoodat onze omstandigheden onhoudbaar werden!
Den 14 Mei 1870
is mijn vrouw dan eindelijk naar veel lijden en Verdriet overleden.
Ik heb haar naar haar begeerte fatsoenlijk laten begraven op Eik en Duin Nabij
’s Gravenhage, alle kinderen van Rouwgoed moeten voorzien, en nu rust zij
van alle moeite en Verdriet en de Heer heb hoop ik hare Ziel, Van Wien zij
dezelve had ontvangen. Zij had 70 Jaren hier op de wereld geleefd, zij heb
gezwoegd en gezorgd, veel geleden en veel kommer en Verdriet gehad: De Here
Geve het haar nu beter, om JEZUS CHRISTUS .Amen!
Ik maakte en einde aan mijn Zaak.
Ik verkocht alles, ik betaalde alles, ik huurde een Kamer voor mijn dochter
waar ik de huur van betaal, en schenk haar iedere maand nog eenige toelaag
en ik, en mijn klijn Kind, dat ik mij had aangenomen, omdat het van hare moeder was verlaten, ben alstoen naar Moordrecht gaan woonen bij mijn oudste dochter, op een gemeubileerde kamer niet mede nemende als een bed met toebehoren, een koffer met klederen en mijn lief, maar ongelukkig Klijnkind in den ouderdom van 5 en een half jaar.
Ik heb hier een allergenoeglijks leven.
Nu 2 Augustus 1870 in het midden van oorlogsgewoel en drukkende tijden, onderving ik ook alreeds de bezware, daar de vader van mijn Klijnkind, die ’s maandelijks f.40.- geliefde te zenden, tans nu ook niet meer bij magten is daarmede voort te gaan.
Recente reacties