(Het verhaal over de beroving van het gezin Pool en de opsluiting van Klaas Pool in het Scholtenshuis te Groningen)
Inleiding
Klaas Pool verhuurde radio’s in Ulrum. Vóór de Tweede Wereldoorlog ging dan elke week een van de dochters Pool langs de klanten en haalde de huur op. Dan konden die weer een week radio luisteren.
Toen na 1943 de Duitse bezetters de mensen verboden om radio’s in bezit te hebben, immers dan zou men naar de Engelse zender kunnen luisteren, haalde hij ze bij zijn klanten op. Hij nam ze mee naar huis en verstopte ze in een geheime bergplaats. Dat was dus in strijd met de opdracht van de Duitsers, want hij had ze moeten inleveren.
Op 13 mei 1943 kregen de Nederlanders van de bezetter te horen dat ze hun radio’s moesten inleveren. Dit deden de Duitsers om te voorkomen dat men naar verboden radiostations zoals de BBC of Radio Oranje zou gaan luisteren. Sommige Nederlanders gaven gehoor aan het bevel, maar een kwart van alle radio’s belandde in de ‘illegaliteit’. Bron: Historiek
Eén van de radio’s was niet teruggekomen om de een of andere reden. Die stond nog bij de dominee. De Duitsers troffen die radio aan en vroegen waar die vandaan kwam. Tja toen had de dominee moeten liegen. Dat was ds. J. van Nieuwkoop (Jacob) , hij was in 1943 in Ulrum gekomen uit Anna-Paulowna en hij vertrok uit Ulrum 08-07-1945 en werd opgevolgd door ds. G.W. van Houte (Gijsbert Wilhelm) afkomstig uit Terneuzen.
Dus direct daarna werd er huiszoeking gedaan bij Pool. De radio’s werden niet gevonden, maar Klaas Pool werd gevangen genomen en het huis werd leeggeroofd. De beroving werd niet gepleegd door Duitsers, maar door Nederlanders.
Hij werd in een cel gezet in het Scholtenshuis in Groningen. Dat was een bijzonder gevaarlijke plek, want daar werden mensen zwaar gefolterd. Velen hebben dat niet overleefd. Het was het beruchte noordelijk hoofdkwartier van de Duitse Sicherheitsdienst (SD).
Overigens werd er eenzelfde razzia gehouden bij Marinus Pool en zijn gezin op 8 maart 1945. Ook daar werd geplunderd. Bron: Groninger Archieven
Over deze geschiedenis vertelt mijn moeder, Elta Pool, in haar verhaal. Ze had het opgestuurd naar Bouwen en Bewaren, een krant voor gereformeerde jonge meiden. Haar verhaal werd in twee afleveringen gepubliceerd (20/7-1946 en 27/7-1946) en haar inzending werd bovendien beloond met een prijs: Een leesboek.
Nog op te zoeken: https://proxy.archieven.nl/0/7E431887187345ACAE2CB4749842BBFA
BANGE DAGEN
december. 1944
Wij zitten ’s avonds op ons dorpje in het hooge noorden rustig in huis. Alle deuren op slot en de petroleumlamp op.
’s Middags waren we van het electrische net afgesneden.
Een harde bons op het raam: “Politie”. Wij schrikken want in de kamer zit ook onze dorpspredikant die men in geen geval mag ontdekken. Ik snel naar de achterdeur, maak haar open, maar sluit haar tegelijkertijd ook weer, want in het duister hoor ik iemand naderen.
‘k Roep luid: “Vader, ze zijn bij de voordeur.” Dat heeft succes. Het geluid van de voetstappen achter verklinken. Vader loopt inmiddels naar de voordeur, doet haar kalm open en daar stappen drie SD-ers binnen: ze moeten de heer des huizes even alleen spreken. Nou, dat kan, ze blijven met vader in de winkel. Intuschen sluip ik met een zaklantaarn achter het huis om te kijken of daar soms nog iets verdachts te bespeuren valt, maar ik zie niets meer.
‘k Kom weer terug in de kamer en zeg: “Alles is veilig. Gaat U maar mee dominee.” Dan scharrelen wij achter elkaar gebukt door de gang naar buiten en bereiken het hekje van buurman’s erf. De dominee krijgt dan mijn lantaarn en ik kom in huis terug alsof er niets gebeurd is. Gelukkig, de bezoeker is in veiligheid.
Nog geen seconde zijn we weer samen, moeder en nog twee zusjes, of er komt een SD-er bij ons zitten. De anderen loopen met vader door het huis en halen, vooral op de zolder, de heele boel overhoop. Angstig wachten wij af. Wat zal er gebeuren?
Na een uur komen vader en de twee kerels weer in de kamer. Ze moeten de administratie zien. De boeken worden hun voorgelegd. Wij vragen fluisterend aan vader: “Wat is er toch?”
“Ze moeten mijn radio’s zien en denken dat er in huis verstopt zijn.”
De boeken worden nagekeken. Plotseling slaan ze met de vuist op tafel: “Hier klopt iets niet!”
“Juist”, zegt vader, “Dat heb ik al gezegd. De radio vormde bij mij een aparte afdeeling en die boeken zijn verregend toen wij in 1940 een nieuwe werkplaats bouwden.”
“Waar zijn de lijsten van de toestellen die boven staan?” , “Op’ t gemeentehuis ingeleverd.
Ze praten even samen en besluiten: twee zullen achterblijven en twee gaan controleeren of een en ander klopt met de gegevens op ’t gemeentehuis. Ik moet mee om den weg te wijzen en daar ga ik dan met twee boeven op pad. Ze proberen een gesprek, maar daar ik niet veel zeg, beginnen ze samen te fluisteren. Verder gaat het, naar een ambtenaar van de secretarie, want die moet de lijsten geven.
We kloppen aan en de ambtenaar wordt uit bed gehaald. Even later loopen we weer, nu met ons vieren, op straat. Maar ‘k heb kans gezien, zonder dat ze ’t merkten, gewaar te worden dat ze geen lijsten zullen vinden. Ik word eerst netjes teruggebracht in de kamer, maar houd m’n mantel aan; dan gaan zij verder, zonder mij, naar ’t gemeentehuis.
‘k Zeg tegen de twee SD-ers in ons woonvertrek: “Even m’n jas wegbrengen.” Maar ik ga vliegensvlug naar den winkel en haal daar de doos met de heele radioboekhouding te voorschijn, breng haar de deur uit en verstop alles achter een ton bij onzen buurman. Ziezo, nu snel m’ n mantel uit en terug in de kamer. ‘k Geef vader een knipoog: “dat ’t in orde is”.
Een uur van spannend wachten kruipt voorbij. Daar komen de anderen terug. Nog eens beginnen ze het huis te doorzoeken. Van boven op zolder tot onder in de kelder en dan de deur weer uit, naar de auto.
We zitten in de huiskamer zwijgend bijeen, worden daar streng bewaakt.
’t Wordt één uur en dan stopt er opnieuw een auto voor ons huis en binnen stappen een twintigtal moffen. Die SD-ers lachen en knikken tegen de nieuw aangekomen soldaten, maar die nemen nauwelijks notitie van hen.
De commandant loopt naar vader en zegt: “Wat heb je gedaan?” “Niets”, is het antwoord.
Dan begint een van de SD-ers te vertellen: “Hier zijn radio’s verstopt. De baas zegt dat er 27 waren en we hebben er 32 gevonden.”
Of vader al zegt dat hij die toestellen mocht hebben en de lijsten heeft ingeleverd, er wordt niet eens naar geluisterd. Wederom beginnen ze het huis te doorzoeken en wij worden nu bewaakt door soldaten. Een tijd later komen ze allen de kamer weer in en zeggen tegen vader: “Jij kleedt je aan want je moet mee”. Ondanks ons protest wordt vader meegenomen en de SD-ers vertrekken.
De moffen nemen vader mee, maar één soldaat blijft ons bewaken. Als de auto’s weg zijn vragen we aan hem of we door het huis mogen loopen. De soldaat blijkt wel geschikt, want zijn antwoord luidt: “Je mag alles doen, als ik er maar bij ben.” Hij loopt met ons het huis door; overal is het een vreselijke wanorde. Opengebroken weckflesschen, resten kaas, afgeknappelde appels, enz enz.
Ik kom met een zaklamp op den zolder en zie dat daar de schuilplaats, (die 3 x 4 M. was) nog ongeopend is. Dat is alvast een opluchting. Ik vraag of ik even naar onzen buurman mag, of bij hem een briefje in de bus gooien, maar dat wordt niet toegestaan, aangezien ons huis bewaakt wordt. We mogen wel naar bed en leggen ons gekleed te rusten, natuurlijk onder “bewaking”.
Het is nu half vijf in de morgen geworden. Na een paar uur in bed gelegen te hebben, stel ik onzen schildwacht de vraag of het ons vergund kan worden iets te eten. Dat wordt toegestaan. Er wordt nu ook geen bezwaar meer tegen gemaakt om ons vrij door het huis te bewegen.
Dan hoor ik buiten in de ochtendstilte een fiets aankomen. Ruk de voordeur open en een vriendelijk “Goedemorgen” klinkt mij tegen. Het is de slager. Ik roep: “Je moet waarschuwen, vader is weggehaald en hier zijn allemaal moffen!” Plof – de deur weer dicht. De eerste boodschap is naar buiten. Even later gaat de voordeur open en stapt onze knecht binnen. Voordat er een mof in de buurt komt vlieg ik naar hem toe, ruk ‘m aan zijn mouwen zeg “Daarginds staat een doos, die weg moet, zorg jij daar voor zoo gauw mogelijk.”
Gelukkig, dat is achter de rug. Maar nu komt er een mof de kamer binnen: “Wie heeft met de slager gepraat?” We schrikken maar houden ons kalm. De soldaat loopt op mij toe en zegt: “Dat was jij!” Ik ontken en beweer er niets van te weten. Hij buldert terug: “Weet je wel dat ik je hiervoor kan doodschieten? “
Tegen een andere soldaat die er bij staat maak ik de opmerking: “Hij wil me bang maken”. Deze voegt zijn kameraad toe: “Je zult je vergist hebben” Daar blijft het gelukkig bij. Van eten komt natuurlijk niets. Tegen tien uur stopt er weer een auto; er komt iemand binnen die dadelijk naar den zolder gaat, gevolgd door wel tien moffen. We moeten weer in de kamer blijven. Opnieuw wordt op zolder alles ondersteboven gehaald. We zitten beneden in de ergste spanning. Zullen ze het vinden? Wel een uur blijven ze boven. Ze loopen om het huis heen om op te nemen hoe het er uit ziet en dan sjouwt de patrouille weer naar boven, maar nog vinden ze niets.
Dan komt de commandant naar beneden: ” Wat is hier gebeurd?”
Wij antwoorden: “Niets, maar ze hebben vader weggehaald”, waarop ons tegenklinkt: “Alles wordt in beslag genomen!”
Dan trek ik van leer: “Neen, want mijn huishouding en die van mijn zuster staan op zolder, wij zijn verloofd!”
“Dat mag blijven staan”, is het antwoord. ’s Middags komt er een vrachtauto met nog meer Duitschers. Eén van hen komt de kamer in en commandeert dat ik hem volgen moet en de rest van het gezin in de kamer moet blijven. Een wacht wordt er bij gezet. Ik ben bang en zeg hem: “Ik vertrouw dat U een heer is.” Lachend probeert hij me gerust te stellen met: “Het is in orde”.
Dan gaan wij naar den zolder. De radiotoestellen worden ingeladen met veel ander materiaal. Als ik zeg: ” Dit is van mij en dat van mijn zuster en dat moet je ook laten staan, ” komt er een dik rood hoofd van een Duitscher bij mijn gezicht: “Und was bekomme ich denn?” Dan kijk ik hem recht in z’n oogen en bijt hem toe: “‘k Verkoop mij niet, neem het dan maar mee.” Maar hij laat het staan. Als er één auto weg is rijdt hij weg met de moffen en ik blijf alleen met den Duitscher met het roode hoofd, bang maar zorg er voor dat hij het niet merkt.
‘k Ga op een stoel zitten op den zolder en zeg: “‘k Ben zoo moe, laat me rusten.” Hij gaat ook zitten. Maar ineens springt hij op, hij hoort iets beneden. Wat is er gebeurd?
Terwijl de moffen vóór de boel leeghaalden, heeft m’n zuster de achterdeuren losgemaakt en zijn de buren en vrienden binnengekomen om het achterhuis leeg te sleepen. Als hij dat ontdekt is hij woedend, hij raast en tiert, ook op den schildwacht, die nu bevel krijgt in de gang op en neer te blijven loopen. Ik ben intuschen weer rustig in de kamer gaan zitten. Laat in de middag komt de auto weer voor. De soldaten, treden opnieuw aan en ik met den roodharigen commandant mee.
Weer begint de roof. Als de auto half volgeladen is ga ik voor hem staan en schreeuw hem tegen: “Nu is het genoeg!”
Maar hij loopt mij opzij en zegt: “Ach Fräulein”. Ik geef het niet op en trek hem aan z’n jas tot hij de soldaten toebuldert dat ze eruit moeten gaan. Wij komen weer in den winkel en daar laat hij mij beloven dat ik nooit iets zal overbrieven, wat er gebeurd is. Dat is in orde natuurlijk; dan roept hij den schildwacht terug en vertrekken ze.
Eindelijk zijn we weer vrij!! We kunnen het heusch niet gelooven. Vrienden komen binnen en betuigen hun deelneming.
“Och” zeggen we “die inventaris is zoo erg niet, als vader maar weer terugkomt.”
Als iedereen weg is komt de knecht en trekken we samen naar boven om de schuilplaats leeg te halen. Als dat ook volbracht is kunnen wij gaan denken aan bedrust. Alle vier op één kamer, want de roovers kunnen wel eens terugkomen.
Vermoeid, maar rustig in het weten dat God, die ons deze vierentwintig uur hielp, ook onze vader bij zal staan en vader bewaren.
Een paar dagen later komt er langs geheimen weg bericht tot ons dat vader op het politiebureau te Groningen zit. Wij moeten proberen hem te spreken te krijgen. Om dat voor elkaar te krijgen, moeten wij contact zoeken met Herr Bellmer, Kamer 21 Scholtenshuis in Groningen. Maar hoe kom ik nu van ons dorp in Groningen? Die vraag wordt heel spoedig beantwoord. Vrienden brengen een bewijs van den dokter, waarop staat dat ik zenuwpatiënte ben en per ziekenauto naar Groningen moet worden gebracht, want een bus rijdt er niet.
Zoo kom ik den volgenden dag in de stad en wordt op de Groote Markt afgezet. Dan naar het Scholtenshuis, maar ’t is alsof m’n schoenen aan de stoep blijven kleven, zóó zwaar zijn ze. Eindelijk sta ik voor den portier en vraag naar Herr Bellmer. ‘k Zeg erbij dat hij van mijn komst afweet. “Is niet aanwezig juffrouw”.
Ik blijf even wachten en merk tot m’n verbazing dat m’n vrees verdwenen is.’k Heb een gevoel alsof ik niet alleen sta en dat geeft mij kracht om vol te houden. Dan zegt de portier: “Als U z’n secretaresse wilt spreken, die is er wel.” “Graag” is mijn antwoord.
Dan gaat de deur open en sluit zich weer direct achter mij.
‘k Loop de trap op en kamer 21 is vlug gevonden. Er staat een Duitsche militair voor de deur. Ik tik aan maar ga op ’t zelfde moment ook naar binnen. Een Duitscher staat op van achter zijn bureau. Er bovenop zit een meisje en zegt: “Ein Augenblick”. Ik verdwijn weer naar de gang en blijf daar wachten. Dan verschijnt het meisje buiten de kamer en zegt de soldaat voor de deur dat ik binnen mag gaan. Dat doe ik dan ook.

Friedrich Bellmer
Wie moet dat nu zijn, die militair daar aan dat bureau gezeten? De portier beneden zei mij immers dat Herr Bellmer niet aanwezig was? Intuschen begroet ik den mij onbekenden militair met: “Guten Tag Herr Bellmer!”
“Fräulein, setzen Sie sich” is het antwoord. Ik denk: “Ik ben zeker aan ’t goede adres”.
Op z’n vraag wat ik kom doen deel ik hem mede dat m’n vader is weggehaald en dat m’n moeder zenuwpatiënte wordt, als vader voor Kerstmis niet terugkomt. Dan begint hij in ’t Duitsch tegen me te bulderen dat m’n vader radio’s verstopt heeft enz. Ik kijk kalm den anderen kant op en denk: “Hij zal wel weer ophouden”
En ja: “Verstehn?” is het laatste wat ik van hem hoor. Ik kijk hem recht in z’n oogen en zeg: “Ganz gut!”
Tot m’n groote verbazing begint hij onbedaarlijk te lachen.
Ik begrijp niet waarom, maar lach mee. Dan zegt hij op kalmen toon: “Gaat U rustig naar huis. Uw vader komt gauw terug, maar hij moet een groote boete betalen.”
Ik vraag: “Mag dat nu dadelijk gebeuren en kan vader dan meegaan?”
“Neen, degene met wie ik hierover moet spreken is afwezig.” “Oh, dan kom ik morgen terug.”
“Neen, morgen niet, maar overmorgen.”
Ik stap op en groet: “Tot overmorgen Herr Bellmer.”
Dan vliegensvlug de gang door, de portier opent de deur en ik sta weer buiten, opgelucht en tevreden dat het niet zonder succes geweest was daarbinnen. Nu naar het politiebureau. Aan het loket vraag ik vader te spreken, daar onze zaak zonder contact met hem in de war loopt. Ze sturen me naar binnen en daar vertelt de commandant mij dat ik eerst een bewijs van het Scholtenshuis moet gaan halen.
Na hem voor deze inlichting vriendelijk bedankt te hebben ga ik, maar natuurlijk niet naar ’t Scholtenshuis. Drie uur later probeer ik het weer. Doe hetzelfde verhaal tegen den portier en tot m’n schrik vraagt hij: “Is U hier straks ook niet geweest?” Rustig antwoord ik dat ik, voor een toegangsbewijs niet geslaagd ben en het zonder dat nog eens wou vragen. “Gaat U binnen”, zegt hij.
Binnengekomen zie ik een aantal menschen staan, die pakjes aan een agent geven. Dat geeft moed. ‘k Wacht tot ze klaar zijn en doe m’n boodschap bij denzelfden man. Deze roept een beambte die mij verzoekt hem te volgen. Wij komen op een kamer en daar moet ik nog eens de reden opgeven van mijn bezoek. “Een oogenblik geduld juffrouw”, hoor ik mij toevoegen en na een oogenblik komt de beambte dien ik zooeven bedoelde, met vader terug. Ik schrik, zoo grijs en lusteloos als hij eruit ziet. Hij leeft weer op als hij hoort hoe het thuis is en dat de schuilplaats niet werd gevonden. ‘k Stop hem vlug een briefje en tabak in z’n handen en dan moet ik weer gaan, want ook den veiligheid van den politieman staat op het spel. In de deur kijk ik nog even om en zie hoe vader als een misdadiger wordt weggeleid. Dan terug naar huis om ze daar te kunnen verheugen met het bericht dat m’n tocht naar Groningen niet tevergeefs was geweest.

De volgende dag [19 december] is moeder jarig. Er komt veel bezoek, maar de sfeer blijft, zoals ge begrijpen kunt, gedrukt. ’s Avonds om tien na achten gaat de bel. We schrikken vreeselijk want het is spertijd. De deur gaat open en tot aller onuitsprekelijke verbazing stapt vader binnen.
“Ben je nu heusch vrij?” gilt moeder in haar grote blijdschap.
“Ja, hoor, na een kort verhoor en verbeurdverklaring van de goederen mocht ik gaan.” Dan zijn we blij en danken god dat hij ons zoveel liefs en dat nog wel op dezen dag terugschonk. Zo eindigde moeders verjaring voor ons allen in een juichende stemming.
E.M.P.

Over Bellmer
Fietje Bellmer was de oudste Duitser op het Scholtenhuis. Hij deed er bovendien al het langste dienst sinds 29 mei 1940. Door zijn leeftijd was hij automatisch plaatsvervanger van Haase als deze afwezig was.
Bellmer was een eenvoudige man uit een schippersfamilie zonder bijzondere opleiding. Tijdens de eerste Wereldoorlog was hij gewond geraakt. Oudgedienden dwongen respect af en mede hierdoor genoot Bellmer toch een bepaald aanzien. Bellmer coördineerde op bevel van Haase de Silbertanne-acties waarbij anti-Duitse Nederlanders werden doodgeschoten als represaille voor geliquideerde NSB’ers. Onder zijn aanvoering werden 22 mensen als Silbertanne-slachtoffer gedood. Ook speelde hij een leidende rol bij de massa-fusillades van vlak voor de bevrijding, waarbij bijna 40 gevangenen werden vermoord. Toch was Bellmer volgens de getuigenverklaringen van zowel SD’ers als gevangenen geen wrede man die mensen mishandelde. Collega Bouman zei over hem: “Zolang Fietje zijn natje en droogje maar kreeg en een liefje op zijn tijd, was het hem goed”.
Veroordeeld tot de doodstraf, omgezet door de Bijzondere Raad van Cassatie naar levenslang.
(Bron: Oorlogs en Verzets Centrum Groningen)
Recente reacties