Nikolaas Jakobus de Koning was geboren op 16-09-1907 te Krabbendijke als zoon van Jan de Koning en Fenia Elsina Lampen. Hij trouwde met Johanna Hommes, geboren op 26‑01‑1906 te Vries, als dochter van dochter van Geert Hommes en Jacoba Vennik. Oom Niek overleed op 19 mei 1997 te Apeldoorn.

Dit was de oudste broer van oom Niek. Gepromoveerd theoloog en predikant. Hij verborg onderduikers en werd vermoord in Neuengamme in 1944
Een man die mij in mijn jeugd (en nog) altijd fascineerde was Niek de Koning(*1907). Wij noemden hem Oom Niek, al was hij geen familie. Hij staat wel in de stamboom trouwens. Zie de database. De broer van oom Niek, Gerard (*1898) was hoofdonderwijzer in Ulrum en hij en zijn vrouw waren de beste vrienden van mijn opa en oma. Die hoofdonderwijzer was getrouwd met een meisje Aaltje Hommes en oom Niek kreeg een relatie met de zus van dat meisje: tante Jo, later “De Koning-Hommes”. Dus dubbel familie!

Hein Jan bestudeert “stoere mannen”, oom Niek en mijn vader dd 26 juli 1971 in Ouderkerk a/d Amstel
Mijn moeder kende die De-Koning-mensen natuurlijk al lang, en toen mijn vader opdook en onderdook in Ulrum werd hij ook bekend met die vrienden en omdat Niek militair was gaf dat een dubbele interesse. Ze vertelden dat Jo en Niek verkering hadden of verloofd waren of zo en dat Niek op de meest onverwachte momenten opdook. Verder was er gedurende de oorlog geen contact met hem te krijgen. Maar na de oorlog waren er in Ulrum ineens twee militairen: luitenant Stam en sergeant De Koning. Die moesten direct aan de slag om het gezag te herstellen. In dat verband hebben ze misschien wel samen gewerkt. Ooit hebben tante Jo en oom Niek wekenlang op mij gepast. Mijn ouders gingen per auto (Ford Consul) naar Italië samen met tante Berta, en zij kwamen tijdelijk op de Erasmusweg wonen. Dat was niet zo moeilijk want oom Niek werkte toen korte tijd in Den Haag.
Overigens vertelde tante Berta over die reis dat mijn moeder bij tijden erg nerveus was geweest. Zij was nog niet zoveel gewend en af en toe liepen haar de tranen over de wangen van de zenuwen als ze door de bergen reden. Voor mijn vader was dat ook nieuw maar tante Berta had veel meer ervaring door haar lange verblijf in de Verenigde Staten.
Ik herinner me dat hij en tante Jo later ook regelmatig bij ons thuis kwamen en ik herinner me ook bezoeken van ons aan hen toen hij commandant van de commandotroepen in Rozendaal was. Het huis hing vol met speren en maskers en schilden uit Nieuw Guinea waar ze een tijdlang hadden gewoond.
Mijn vader vertelde me dat Niek af en toe langs kwam “om te spuien”. Hij maakte zulke dramatische dingen mee tijdens zijn gevechtsacties overal ter wereld dat hij af en toe kwam luchten. Tja, het was in de naweeën van de Tweede Wereldoorlog. Toen ik aan mijn vader te kennen gaf dat ik ook commando wilde worden, stuurde hij mij ter ontnuchtering naar oom Niek. Ik logeerde daar een weekend in Apeldoorn (Hofstraat 75). Oom Niek was daar ouderling in de gereformeerde kerk. Kernvraag van mijn vader was via mij aan oom Niek hoe het met je geloof te verenigen is om mensen te doden. Een wonderlijke vraag voor iemand die al zijn leven lang in het leger werkzaam was …. Reactie van oom Niek was: commando’s zijn er niet op uit om mensen te doden maar juist om niet gezien te worden tijdens hun werk achter de vijandelijke linies. Dat hielp mij, maar niet mijn vader. Hij had altijd last van zijn geweten bij dit soort dingen. Mijn grootste zorg was dat ik een beginnende brildrager was, en bij een keuring zou je dan niet doorgelaten worden. Oom Niek wist me te vertellen dat dat wel zo was maar dat er ook uitzonderingen gemaakt werden. Later is mij gebleken dat dat inderdaad zo was.
Toen oom Niek werd begraven maakte de dominee een pijnlijke fout. Hij sprak over de overledene met iemand anders in gedachten. Iemand uit de kerk moest naar de predikant toegaan om hem dat te vertellen. Blijkbaar had hij geen contact met de familie gehad en had hij de verkeerde preek bij zich.
Onderstaande tekst komt van de website van Commandoverening Gelderland
Luitenant-kolonel b.d., lid van No 2 Dutch Troop en erelid COV [commando vereniging] Gld Drager van o.a. de Bronzen Leeuw, het Bronzen Kruis en Officier in de Orde van Oranje Nassau
Overleden op 19 mei 1997 te Apeldoorn in de leeftijd van 89 jaar. Overste de Koning was van februari 1961 tot december 1963 commandant van het Korps Commandotroepen. Onder grote belangstelling is hij op 23 mei 1997 in Ugchelen met militaire eer ter aarde besteld.
Op 16 september 1907 ziet hij het levenslicht in het Zeeuwse Krabbendijke. Hoewel hij de opleiding heeft gevolgd voor onderwijzer kiest hij uiteindelijk een geheel andere richting en neemt een baan aan als rentmeester op een landgoed in Argentinië. Als Nederland in mei 1940 overvallen wordt door de Duitsers, aarzelt hij geen moment en begint hij aan de lange reis naar Engeland. Hij wordt ingedeeld bij de koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene. Als er vrijwilligers worden gevraagd voor de commando’s meldt hij zich en volgt op 35 jarige leeftijd met succes de commando-opleiding in het Schotse Achnacarry.
In december 1943 vertrekt hij met No.2 (Dutch) Troop naar het verre oosten, waar hij begin 1944 samen met enkele collega’s wordt ingezet met No. 5 Commando aan het front bij Arakan. Na terugkeer in Engeland reikt Z.K.H. Prins Bernhard aan hem voor moedig gedrag het Bronzen kruis uit.
Begin september 1944 wordt commando de Koning, samen met een zevental andere Nederlandse commando’s door Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO) aangewezen om boven bezet Nederland te worden geparachuteerd. In de nacht van 11 oktober 1944 wordt hij samen met sergeant van de Veer, korporaal Michels en adjudant Groenewout van de Belgische SAS gedropt in de omgeving van Veenhuizen in Drenthe. Licht gewond bij de landing begint hij enkele dagen later aan zijn opdracht om de Binnenlandse Strijdkrachten in Friesland te gaan opleiden. Als “Arie Prins” en later onder de schuilnaam van “Albertus Werkman” staat de inmiddels tot sergeant bevorderde commando mede aan de basis van een goed bewapende en georganiseerde eenheid. In het voorjaar van 1953 wordt hij voor moedig en beleidvol optreden in Friesland onderscheiden met de Bronzen Leeuw, de één na hoogste dapperheidsonderscheiding.
Eind augustus 1945, drie dagen na zijn huwelijk, wordt hij in Londen ontboden. Daar krijgt hij te horen, dat hij is bevorderd tot eerste-luitenant en wordt hij voor een korte opdracht naar Ceylon gestuurd. De opdracht zal in totaal 4 jaar duren! In die periode speelt hij een belangrijke rol in de vorming en ontwikkeling van de paracommando eenheden in het voormalig Nederlands-Indië. Na vele functies binnen de diverse paracommando-eenheden vervult hij als laatste de functie van Commandant Opleidings Centrum Regiment Speciale Troepen. Na terugkeer in Nederland wordt hij bij het pas in Roosendaal neergestreken Korps Commandotroepen belast met de opleiding van de eerste commando-opleidingen voor dienstplichtigen en later de 1e Commando Compagnie. Na diverse functies in de Koninklijke Landmacht wordt hij in 1961 Korpscommandant. In die periode zorgt hij er voor dat er een aanvang wordt gemaakt met het opleiden van parachutisten.
Nadat hij in december 1963 het commando over het korps heeft overgedragen aan luitenant-kolonel Horsthuis, vervult hij nog een staffunctie bij het Legerkorps alvorens op 31 augustus 1967 afscheid te nemen van het leger. Hij doet dat te midden van “zijn” commando’s te Roosendaal. Op die dag benoemd H.M. de Koningin hem tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. Ook na zijn actieve periode in de Koninklijke Landmacht is hij nauw betrokken geweest bij het Korps Commandotroepen, o.a. als lid van de adviesraad van de Commandostichting. Ondanks zijn hoge leeftijd was hij op 22 maart 1997 aanwezig op de reünie. Met het overlijden van lkol. b.d. de Koning is een commando heengegaan, die zijn hele leven “voorop” ging, inspireerde en stimuleerde door het persoonlijk voorbeeld in houding, voorkomen en optreden. Een voorbeeld voor allen! Rust in vrede
Een herinnering van iemand anders aan tante Jo en oom Niek:

Rechts oom Niek en links van hem tante Jo
Na een verblijf als dienstplichtig militair met het 426e Bataljon Infanterie in het woelige Nederlands-Indië op Midden-Java en een paar ‘woelige en onrustige’ jaren in ons dorp, ben ik in 1953 als vrijwilliger naar Nieuw-Guinea vertrokken. De aankomst was in Biak. Na een overnachting aldaar (ik lag weer onder de klamboe en hoorde weer de tjitjak, zeer rustgevend voor mij), werd ik afgehaald door de eerste luitenant H.J. Keim. We vlogen naar Hollandia en vervolgens naar het hooggelegen Ifar. Hier was het hoofdkantoor van de Inlichtingendienst Nieuw-Guinea. Ik kreeg hier de functie van 1e typist. De eerste opdracht was het typen van mijn eigen voordracht voor bevordering tot korporaal. De mij toebedeelde functie eiste deze rang. Mijn belangrijkste werk was het typen van het WIR (wekelijks inlichtingenrapport) en het MIR (maandelijks inlichtingenrapport).
Bij deze dienst was het de gewoonte dat wanneer iemand ‘afzwaaide’ er een afscheidsfeestje werd gegeven. Korporaal Dekker zwaaide af en tijdens het feestje kwam ik naast onze ‘grote baas’ majoor N.J. de Koning te zitten. Op een zeker moment vroeg hij mij: “Waar kom je vandaan?” Ik zei: “Uit Friesland, majoor.” Hij vroeg mij uit welke stad of welk dorp ik dan kwam. “Uit een heel klein dorpje, tussen Leeuwarden en Dokkum”, zei ik. “Zeg het dan eens.” Ik vertelde dat ik uit Rinsumageest kwam. “Uit Rinsumageest? Daar heb ik tijdens de bezetting wapenles gegeven bij Boersma in de boerderij”, zei de majoor. Ik heb zelf niks van doen gehad met de ondergrondse werkzaamheden, maar ik heb toentertijd wel gehoord dat er mannen wapenles kregen en dat die werden gegeven door een zekere heer Prins. Dat was natuurlijk een schuilnaam. Voor mij was dit een zeer bijzondere ontmoeting. R.S. Pijper, Rinsumageest http:/ www.veteraneninstituut.nl/ (checkpoint afl 10, december 2008)
Nog een fragment van een herinnering gevonden op internet
India en Birma

Members of Dutch troop in the Arakan in Burma: De Koning,Ubels,Knottenbelt,Van der Veer, and Blatt
Eind december 1943 vertrokken de Nederlandse commando’s per schip naar Brits-Indië, waar zij eind januari 1944 arriveerden. Samen met hun collega’s van de 3e Special Service Brigade kregen zij in een legerkamp bij het dorpje Ked Gaon de tijd om te acclimatiseren, wat gezien de hitte, geen overbodige luxe bleek te zijn. Omdat door het geallieerde opperbevel voorlopig geen operaties in Malakka en op Sumatra stonden gepland, vertrok de ondertussen gepromoveerde kapitein Linzel in februari 1944 naar Ceylon om te onderzoeken of zijn manschappen aan acties van het daar gelegerde Korps Insulinde konden deelnemen. Deze missie van kapitein Linzel leverde helaas geen resultaat op. Echter, tijdens Linzels afwezigheid was plaatsvervangend commandant Knottenbelt ter ore gekomen dat de 3e Special Service Brigade in Birma achter de vijandelijke linies zou worden ingezet. Na hevig aandringen werd besloten dat vijf Nederlandse commando’s aan deze acties mochten deelnemen. Omdat de animo hiervoor zo groot was, was een loting noodzakelijk en uiteindelijk waren luitenant J. Knottenbelt, sergeant W.van der Veer, korporaal G.Ubels en de commando’s R.Blatt en N. de Koning de gelukkigen. Knottenbelt en van der Veer werden bij No.44 (Royal Marine) Commando gedetacheerd en de overige drie commando´s bij No.5 Commando. Eind februari 1944 vertrokken zij naar het plaatsje Cox Bazaar, maar omdat korporaal Ubels bij aankomst door een tropenziekte werd geveld, miste hij de eerste actie in de streek van Arakan.
Op 10 maart 1944 landde No.44 (Royal Marine) Commando, met Knottenbelt en van der Veer, met landingsvaartuigen in de omgeving van Alethangyaw, een plaatsje in het westen van Birma, waar zij met succes diverse missies wisten uit te voeren. Twee dagen later kwam No.5 Commando, met Blatt en de Koning, in actie om de posities van No.44 (Royal Marine) Commando over te nemen. Omdat de Japanse eenheden ondertussen waren gealarmeerd, leed No.5 Commando zware verliezen, waaronder Blatt, die zwaargewond raakte door granaatscherven. In mei 1944 namen Knottenbelt, van der Veer, de Koning en de inmiddels herstelde Ubels deel aan diverse verkenningen in de buurt van Assam in India, maar tot echt grote gevechten kwam het niet. Nu echter de grote invasie in Europa nabij leek wilden de Nederlandse commando’s zo snel mogelijk terug naar Eastbourne. Het duurde evenwel nog tot 15 augustus 1944 voordat No.2 (Dutch) Troop in Engeland arriveerde.
Terugkeer en vervolgacties
Op 11 oktober 1944 kwamen de restanten van No.2 (Dutch) Troop bijeen in Eindhoven, waar kapitein Linzel hen de keuze voorlegde om rust te nemen of aan een nieuwe actie deel te nemen. De vermoeide commando’s kozen voor de laatste optie, die, zo zou later blijken, nog twee weken zou duren. Ondertussen waren enkele Nederlandse commando’s alweer bezig met enkele acties in Nederland. Zo waren korporaal R.Westerling en de commando’s G.Bendien en W. van der Linden in het bevrijde Zuid-Nederland actief als instructeur bij de Stoottroepen. Commando R.Blatt werd samen met een Belgische groep van de Special Air Service in de nacht van 25 op 26 september bij Westerbork gedropt en sergeant W. van der Veer, korporaal R. Michels en commando N. de Koning landden samen met de Belgische adjudant R. Groenewout bij Veenhuizen. Hun taak was het, in opdracht van het Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO), om in het bezette deel van Nederland diverse verzetsgroepen wapenonderricht en sabotagelessen te geven. Zij wisten met gevaar voor eigen leven en met hulp van het verzet toch steeds uit handen van de Duitse bezetter te blijven.
d. L’opération « FRIESLAND » Le 5 Octobre, l’escadron belge doit fournir un volontaire néerlandophone pour renforcer une équipe de 3 sous-officiers hollandais qui doit être parachutée en Frise. Cette mission est confiée à l’adjudant R. GROENEWOUT. Durant cette longue mission qui s’achèvera le 22 avril 1945, il formera plus de 700 hommes de la Résistance.
bron: http://www.brigade-piron.be/
Bij het archief in Friesland vond ik de volgende informatie, die ik vervolgens bestelde. Het betreft correspondentie tussen Oom Niek en Wijbenga waarin Oom Niek correcties voorstelt in het te publiceren deel 3 van zijn serie “Bezettingstijd in Friesland”. Vervolgens is dat boek gedrukt maar de correcties zijn het interessantst vond ik (hier niet opgenomen, maar ik heb ze in archief):
340 Verzameling P. Wijbenga Tresoar (Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum) 79 Brief van NJ. de Koning te Apeldoorn aan P. Wijbenga met verslag over zijn lotgevallen in Friesland nadat hij op 8/9 oktober 1944 als parachutist bij Veenhuizen was geland om ten behoeve van het Friese verzet op te treden als wapeninstructeur Datering: 30 maart 1977; met bijlage Omvang: 1 omslag bron: http://www.archieven.nl/
en verder:
Personal File Card N.J. De Koning
bron:
https://weggum.com/PF_CARD_de_KONING.html
Dutch agents 1940 – 1945
By Frans Kluiters
Voor als bovenstaande site niet meer bestaat is hier de weergave in PDF
Recente reacties