Zondag 15 april 1945
Bevrijding door de Canadezen in Ulrum
In de periode van 2 januari tot 15 april 1945 ontstond de relatie tussen mijn ouders die de rest van hun leven zou duren. Dus in drie en een halve maand. Daarvóór hadden ze elkaar nog nooit gezien of gehoord.
Even op een rijtje:
18-09-1944 Tonny Menthen overleed 21-09-1944 Begrafenis
15-10-1944 Mijn vader vlucht met Henk Jr. uit Den Haag
17-10-1944 Vader en zoon arriveren in Utrecht
20-11-1944 Mijn vader met Henk Jr. retour Utrecht – Vreeswijk
28-12-1944 Mijn vader alleen op de fiets naar Harderwijk
2-01-1945 Mijn vader arriveert bij familie Pool
Tussen 2 januari 1945 en 15 april 1945 ontstaat relatie mijn vader & mijn moeder
15-04-1945 Canadezen bevrijden Ulrum.
Mei – september 1945 Mijn vader Commandant te Farmsum
3-9-1945 Mijn vader weer in actieve dienst
12-9-1945 Mijn vader uit NL vertrokken naar Engeland
6-3-1946 Mijn vader In NL aangekomen terug uit Engeland
26-07-1946 huwelijk mijn vader en moeder
10-10-1946 Mijn vader uit Nederland vertrokken naar Ned. Indië
24-06-1947 Mijn moeder en Henk jr. vertrekken naar USA
4-01-1948 Mijn moeder en Henk jr. terug in NL
10-1-1948 Mijn vader terug in NL vanuit Ned. Indië
Mijn broer schrijft erover in zijn boek. Hij raakte ervan van streek. Hij werd boos ook, en hij klinkt tussen de regels door alsof hij zich verraden voelt en in de steek gelaten.
Mijn vader wilde mijn moeder introduceren in Utrecht bij zijn eigen familie. Zo geschiedde.
Die introductie viel zwaar voor alle betrokkenen. Want het lijden en sterven van Tonny was nog zo kort geleden. De Utrechtse familie had intens meegeleefd. Tonny had een grote plaats in hun hart gehad en nu was daar ineens Henk met Elta. Dus er was weerstand tegen Elta. Want zo snel kon de familie niet schakelen. Het tempo lag onnatuurlijk hoog.
Misschien speelden hormonen een rol. En de ambitie van mijn moeder. Ze verlangde er naar om haar grenzen te verleggen en de kleine veilige wereld van haar ouderlijk huis en dorp te verlaten. De prins uit het westen kwam voorbij en ze aarzelde niet en sprong achterop.
De onverwerkte gebeurtenissen uit het huwelijk met Tonny bracht mijn vader dus in, in zijn nieuwe relatie.
Lia Berendsen zei ooit tegen mij dat mijn vader na het overlijden van Tonny een andere man was geworden. Ik denk dat dit de kern is voor mij. De eindeloze zoektocht naar mijn vader.
(meer van Lia)
Na de oorlog
Drie zaken: (1) Farmsum(2) Zuivering en (3) Training en bijscholing
Farmsum
Zoals al eerder aangegeven had mijn vader beloofd te zullen terugkeren in krijgsgevangenschap na het overlijden van zijn vrouw, en hij had dat toch niet gedaan. Daarom moest hij onzichtbaar worden voor de bezetter en dus onderduiken.
Toen de Duisters eenmaal gecapituleerd hadden was er een heel rare situatie. Enorme chaos. Geen duidelijk gezag. Veel gezagsdragers, denk bijvoorbeeld aan mensen uit de rechterlijke macht zoals rechters en advocaten, politiemensen en burgemeesters, waren immers Duitsgezind geweest. Er was geen regering, want die zat in Londen. Wel was er de ondergrondse, het georganiseerde verzet tegen de bezetter, en die kon nu bovengronds komen.
Net als mijn vader. Die hoefde zich niet meer te verstoppen. De ondergrondse was vaak bewapend, maar ze hadden daar geen opleiding of training voor gehad. Ze waren geen militairen of politiemensen maar gewoon burgers die verzetsdaden hadden gepleegd.
Tel daarbij het sentiment in de samenleving, de opluchting, maar ook de woede tegen landgenoten die hadden gesympathiseerd met de bezetter. Volksgerichten waren aan de orde van de dag.
Dus wat bijvoorbeeld in Ulrum gebeurde was dat mensen die in de ogen van hun dorpsgenoten “fout” waren geweest, uit hun huizen werden gehaald. Ze werden op boerenkarren getransporteerd naar het station, en afgeleverd bij mijn vader. Die hoorde de verhalen aan van de aanklagende dorpsgenoten en van de als “fout” bestempelde en aangebrachte mensen. Hij noteerde wat hij vernam en liet vervolgens de aangebrachte mensen opsluiten in een kamp, genaamd Irene, in het dorp Farmsum bij Delfzijl.

Hij werd zelf voor een korte tijd in de eerste maanden na de capitulatie commandant van dat interneringskamp. Dat kamp heeft een jaar of vijf gefunctioneerd maar mijn vader was er slechts een maand of zes. Hij woonde er.
Er waren heel wat van die kampen in Nederland.
Zuivering
Er moest dus een overheid worden geformeerd en die moest een proces van zuivering gaan uitvoeren. Gewoon orde op zaken stellen en recht doen na de jaren van bezetting. Dat gold voor die mensen die mijn vader had laten opsluiten maar ook voor mijn vader zelf. Ook hij moest zich verantwoorden, en de uitkomst stond zeker niet bij voorbaat vast.
Citaat:
Anders dan wat in de burgermaatschappij gebeurde, verliep de zuivering van de krijgsmacht niet chaotisch. In tegenstelling tot de zuivering van de ambtenaren, waar men alleen na een aanklacht voor een zuiveringscommissie moest verschijnen, moesten alle officieren, reserve- en beroeps-, zich voor een commissie verantwoorden. Werd een zuiveringsmaatregel opgelegd, bv. ontslag, dan kreeg men inzage in de stukken. Daardoor werd een grote mate van objectiviteit verkregen. Dat wil echter niet zeggen dat er geen fouten zijn gemaakt of dat er geen bezwaren tegen deze zuivering zijn aan te voeren. Deze zuivering vond als volgt plaats. Er waren twee commissies gevormd, de Commissie Verantwoording Krijgsgevangen Officieren (CVKO) en de Commissie Beoordeling Officieren Bezet Gebied (CBOBG). Deze beide commissies werden in hun werkzaamheden bijgestaan door een aantal sub-commissies. Voorzitter van de CVKO was de voormalige commandant Veldleger, luitenant-generaal J.J.G. van Voorst tot Voorst. Voor deze commissie verschenen alle officieren die in krijgsgevangenschap waren geweest, zodat voor deze commissie vrijwel alle beroepsofficieren verschenen. Grote aandacht besteedde de commissie aan de wijze waarop men zich aan het gegeven erewoord had gehouden en het gedrag tijdens de krijgsgevangenschap. De commissie ging zeer rechtlijnig en zonder aanzien des persoons te werk.
Grote waarde werd eraan gehecht of men zich gedurende de oorlog had gedragen conform de gedragscode van de officier van vóór 1940. Voorzitter van de CBOBG was reserve-generaal-majoor H. Koot. Voor deze commissie verschenen de officieren die zich tijdens de oorlog in bezetgebied hadden bevonden. Dat waren voornamelijk de reserveofficieren. Als belangrijkste beoordelingscriterium voor het al dan niet handhaven als officier nam de commissie het gehad hebben van verzetsgeest tegen de vijand en de dienende geest jegens eigen land en volk.
Bron: De wederopbouw van de Koninklijke landmacht na de Tweede Wereldoorlog drs. J. W. M. Schuiten, luitenant-kolonel van de verbindingsdienst (tekst uit de Militaire Spectator)
Mijn vader viel dus in de zuivering om te beginnen onder de CVKO. Net als iedere militair die in krijgsgevangenschap was geweest kreeg hij een vragenlijst toegestuurd. Die moest hij invullen en terugsturen. Christiaan Stam heeft de neerslag daarvan opgevraagd en gedeeld met mij.
Mijn vader had slechts een half jaar in krijgsgevangenschap vertoefd. De rest van de oorlog was hij thuis geweest of ondergedoken en dus moest de andere commissie zich er ook over buigen.
De uitslag: HANDHAVEN, kreeg mijn vader pas in januari 1948.
Hierna volgen al of niet voorzien van commentaar de verslagen.


Wie was Uijterschout die in deze vragenlijst wordt genoemd?





Hier begint het te haperen. Iemand in de zuiveringscommissie vond de ziekte van Tonny geen reden voor ontslag uit krijgsgevangenschap, en toen ze eenmaal was overleden had hij moeten terugkeren naar Stanislau. Dus moest men zich er opnieuw over buigen om vast te stellen of HM Stam zich had misdragen door onder te duiken. Mijn vaders tegenargument was: De Duitschers hadden hem na het overlijden niet opgeroepen om zich te melden in Stanislau.




In Londen was door de gevluchte Nederlandse overheid grondig het herstel van de gezagsverhoudingen voorbereid voor het moment dat de Duitsers zouden zijn verslagen. Onderdeel van deze voorbereiding was de benoeming van allerlei gezagsdragers. Elke provincie kreeg bijvoorbeeld een Provinciaal Militair Commissaris. Voor Groningen was dat de luitenant kolonel Hein Holtkamp.



Training en bijscholing
Het leger stelde natuurlijk niets meer voor. Was het voor 1940 al heel erg verwaarloosd en uitgekleed, maar nu na vijf jaar bezetting en dus werkloosheid was het bar en boos. De militairen die de oorlog hadden overleefd en die weer geschikt waren om deel uit te maken van de krijgsmacht moesten snel een soort heropvoeding krijgen. Een training van hun oude vak en mogelijk nieuwe vaardigheden.
Dus hij ging voor training en bijscholing voor bijna een half jaar naar Engeland (Wolverhampton) en Schotland (september ‘45 – maart ‘46)

Na terugkeer uit Engeland werd de bruiloft voorbereid. Voor mijn vader voor de tweede keer en voor mijn moeder voor het eerst.
Ze trouwden op 26 juli 1946, en even later moest hij al weer weg, want elders was de oorlog nog niet voorbij.
Hij vertrok op 10-10-1946 per vliegtuig naar Ned. Indië. Van die reis herinner ik mij dat hij vertelde dat een motor van het (propeller) vliegtuig uitviel. Er zat niets anders op dan heel scheef vliegend door te gaan. Met wat stuntwerk kreeg de piloot het toestel toch aan de grond, maar het waren wel spannende momenten. Vier dagen duurde de reis en daar zou hij blijven tot 10-1-1948 toen hij weer in Nederland aankwam.
Vanuit Ned. Indië schreef mijn vader aan zijn bruid dat het hem het beste leek als zij naar Amerika zou gaan totdat hij zou terugkeren.
Daar had hij zijn redenen voor. De voornaamste was dat het tot ver in de 50-er jaren helemaal niet zeker was of het Russische leger niet zou doortrekken naar de Noordzeekust en heel West-Europa zou inlijven. Ze waren gestopt in Berlijn. De Duitsers waren toen verslagen maar de spanning bleef.
En zo geschiedde. Elta Pool vertrok op 24 juni 1947 met mijn halfbroer Henk per boot naar de USA. (Verslag daarvan in haar dagboek). Nagenoeg de hele generatie boven haar, van haar opa Albertus Pool, was naar Amerika geëmigreerd. Dus er werd contact gezocht en ze was welkom met haar kersverse kind.
Vader Stam in Utrecht overleed in diezelfde tijd (27-6-1947). De oorlogsjaren waren heel zwaar voor hem geweest. Met name de hongerwinter. Hij had er, meen ik, suikerziekte aan over gehouden, en mijn vader vertelde mij dat hij hem in de Poortstraat in de keuken vaak met zijn urine aan het knoeien zag, om er bepaalde testen mee te doen. Na de oorlog was hij enorm verzwakt. Op een kwaad moment viel hij van een trap en brak zijn heup. Dat werd zijn dood.
Januari 1948 zouden mijn vader en zijn bruid ongeveer gelijktijdig weer in Nederland terugkeren, en vanaf dat moment zou hun huwelijk pas echt kunnen gaan beginnen, na alle woelige jaren.
Terzijde
Wat altijd een zware last is gebleven in de levens van mijn ouders en hun kinderen is dat er in die tijd geen gelegenheid was geweest voor verdriet en rouw. Voor mijn vader niet en voor mijn broer ook niet. De pijn die mijn vader moet hebben gehad werd verdrongen. Zijn relatie met mijn moeder begon al een half jaar na de begrafenis van Tonny Menthen. Dat ging allemaal veel te snel en onnatuurlijk: het was een verstandshuwelijk. Met de beste bedoelingen probeerden ze hun leven vorm te geven en op de rails te krijgen, maar ze zagen een paar dingen over het hoofd.
Zoals dat gaat met verdringen: dat kun je een tijdje doen maar de emoties komen er toch uit. Alleen dan zijn ze niet meer herkenbaar gerelateerd aan de oorspronkelijke gebeurtenis. Voor ons als kinderen waren de grillige en harde woede uitbarstingen van mijn vader onbegrijpelijk en gevaarlijk. Zo heeft hij ook veel vrienden verloren, en wij leden er onder en kregen raar voorgeleefd hoe een vader is. Beide konden mijn ouders hun omgeving doodzwijgen. Dagen lang. Dat deden ze ook met anderen zoals tante Berta, en dat gaf heel wrede onnatuurlijke en pijnlijke toestanden.
Het is niet nodig om hier verder in details te treden, maar zowel Henk als ik en Helma hebben ons vaak onveilig gevoeld. Ik voelde me eenzaam. Spijbelde enorm veel, in mijn eentje. Maakte mezelf onzichtbaar, onopvallend en droomde ervan commando te worden, een super overlever. Mijn motto was: mij krijgen ze niet kapot! Genoeg hierover in dit verband.
Nòg een tegenslag zouden ze in het begin van hun huwelijk te verwerken krijgen: Elta raakte in verwachting en op 25-11-1948 was de bevalling. Het kind, vermoedelijk een jongetje is tijdens de bevalling (die bij Elta ook later zeer moeizaam verliepen) omgekomen. Een gezond en voldragen kind dus dat door gepruts van een arts stierf bij de geboorte. Mijn vader heeft, tegen de zin en tot grote verbazing van het ziekenhuispersoneel, het kind begraven. Hij liet een kistje maken en reed daarmee stapvoets in een taxi door Den Haag, om het in het familiegraf te Oud Eik en Duinen te laten bijzetten. Het was een moedige daad van respect voor het leven en voor Elta.
Op de grafsteen op de begraafplaats Oud Eik en Duinen stond: “Onze BABY”.
Ik maakte deze foto op 19 september 2002 toen ik de begraafplaats voor het laatst bezocht. Het graf is nu geruimd.

Recente reacties