Herdenking begrafenis toespraak

Deze teksten werden uitgesproken tijdens de begrafenisdienst op 16 October 2010 van (O)pa Eijlander

Annet
Op 26 juni 1924 werd papa geboren als op een na jongste kind van Gerrit-Jan Eijlander en Annigje Eijlander-Kloek. Gerrit Jan Eijlander (onze opa) was werkzaam eerst als metaalbewerker/smid bij de Nederlandse Spoorwegen en later bij pannenfabriek Berk in Kampen. Zijn vrouw Annigje (onze oma) was huisvrouw. Voor zover ons bekend heeft papa het als kind en puber goed gehad. Ze woonden aan de Burgwal in Kampen in een ruime woning.
Als kind is papa bij het fietsen een keer ongelukkig terecht gekomen en heeft toen zijn enkel gebroken. Die enkel is toen niet goed gezet, de rest van zijn leven is hij er last van blijven houden. Op 14 jarige leeftijd ging papa aan het werk. Hij werd loopjongen /leerling schilder bij een schildersbedrijf dicht in de buurt.

Toen papa 18 was, het was 1942 werd hij verplicht om in Duitsland te gaan werken. Hij kwam terecht in de buurt van Hamburg waar hij moest werken aan de bouw van barakken en op een scheepswerf. Dit was een zware periode. Meerdere keren werd aan hem en anderen beloofd dat ze met verlof naar huis mochten. Steeds weer ging dit niet door. Later (pas een paar jaar geleden) biechtte papa op dat hij in Duitsland naar zijn bazen en chefs simuleerde veel hinder van zijn enkel te hebben en deed voorkomen of hij bijna niet kon lopen. Binnen 15 minuten kon je naar de scheepswerf lopen. Hij deed er 45 minuten over. Hij werd toen afgekeurd voor het werk in Duitsland. Dat afkeuren hield niet zo veel in. Want hij werd toch weer opgeroepen.
Papa is toen terecht bij boer Netjes op het Kampereiland. Dit was een redelijk veilige plek mede om het feit dat er regelmatig razzia’s waren in Kampen. Alle jongens en mannen die konden werken, werden dan alsnog naar Duitsland getransporteerd. Het werken bij de boer op het Kampereiland heeft hij met veel plezier gedaan. Hij kon er vaak en veel over vertellen.

Gerda
Na de oorlog ging hij weer bij een schildersbedrijf aan het werk. In de jaren na de oorlog, in 1948 ontmoette hij mama. Dit zou op de Kamperbrug zijn geweest, ‘de lange brugge’ zoals papa dat kon zeggen.
In hun verkeringstijd was er strijd rondom geloof. Mama kwam uit de vrijgemaakt gereformeerde kerk, een kerk die zich kort daarvoor, 1944 had afgescheiden van de gereformeerde kerk. Papa kwam uit de oudgereformeerde kerk. Ook was er kort voor het trouwen strijd over waar ze zouden gaan wonen. In die tijd was er grote woningnood en ze zouden bij één van de ouders in gaan wonen. Dit betekende tevens dat ze de zorg voor de ouders op zich zouden nemen. Uiteindelijk werd gekozen voor de ouders van mama en trokken ze bij hen in. Het huis in ‘s-Heerenbroek werd enigszins aangepast. Zodat ze over een eigen huiskamer, slaapkamer en nog een kamertje konden beschikken. Van de keuken en buiten wc werd gemeenschappelijk gebruik gemaakt. Papa werd ook lid van de kerk in Zalk en daar trouwden ze in 1951. De ouders van papa waren daarbij niet aanwezig en dit was vanwege de keuze voor die kerk. Dat wierp een schaduw over toch een mooie dag. Papa en Mama kregen in 8 jaar tijd 5 kinderen. Het was een drukke tijd. Mama had ook de zorg voor haar beide ouders en later alleen voor haar moeder. Voor ons was dat Opoe. Papa werkte hard, overdag bij een baas en ’s avonds en op de zaterdagmiddag deed hij karweitjes. Daarnaast had hij ook nog een verfwinkeltje aan huis. Er moest brood op de plank komen. Als kinderen kwamen we niets te kort. Wij hadden een onbezorgde jeugd.
Vanwege het winkeltje en omdat Opoe bij ons in huis woonde was er altijd veel aanloop en veel gezelligheid bij ons thuis. Wij mochten altijd allerlei vriendjes en vriendinnetjes meenemen en die aten ook mee. Papa had naast z’n werk ook andere taken, zo zat hij jarenlang in het bestuur van de Julianaschool en zat hij in de Kerkenraad. Eén van zijn hobby’s was zingen. Hij was o.a. lid van achtereenvolgens DEV uit Kampen en Irene in ‘s-Heerenbroek.

derde naast rechter mic

Joke
Papa had zo z’n eigen humor, we hebben heel wat afgelachen thuis. Zo liet hij een oude buurman (die dagelijks gewend was tegen ons schuur te wateren) zwaar schrikken. Vanuit de binnenkant van de schuur sloeg hij op het moment suprême met een zware hamer tegen de wand. Het wateren was nadien over.
Nadat wij als kinderen de deur uit waren en Opoe overleden was, kregen papa en mama het rustiger en hadden ze meer tijd voor elkaar. Het was de periode dat papa in de VUT zat. Volgens papa de mooiste 10 jaar van z’n leven. Ze logeerden veel bij de kinderen en genoten van de kleinkinderen. Papa stond altijd klaar om te klussen. Dit deed hij niet alleen bij de kinderen maar ook in de buurt en bij vrienden en kennissen.
Er kwam een eind aan deze onbezorgde tijd toen mama ziek werd. Tijdens deze periode zorgde hij voor mama en leerde hij zich allerlei huishoudelijke werkzaamheden aan. Toen mama overleed deed hem dat veel verdriet en had hij moeite om alleen verder te gaan.
Na een paar jaar kreeg hij kennis aan Tiny. Zij zorgde ervoor dat hij zich minder alleen voelde. Na een relatie van 6 jaar overleed Tiny. De laatste 2 jaar van de relatie verbleef zij in een verpleeghuis. Papa bezocht haar trouw.
Ondertussen was papa ook verhuisd naar z’n flat in Zwolle. Hij voelde zich er thuis, dit zowel in de kerkelijke gemeente waar hij met warmte werd ontvangen als in de buurt. Ondanks dat hij nu alleen was, kon hij zich goed vermaken met o.a. schilderen, fietsen, boetseren, vissen enz. Hij vond het fijn als wij bij hem op bezoek kwamen en of hij bij ons, maar hij legde nooit beslag op ons. Hij maakte ook allerlei uitstapjes naar musea. Hoogtepunten waren de familieweekenden met Pinksteren. Papa genoot van het samenzijn met kinderen en kleinkinderen.
Een dieptepunt in ons leven en dat van papa was de ziekte en het overlijden van Henny. Papa had het daar erg moeilijk mee, ging daar op z’n eigen manier mee om en kon daar niet goed over praten. Hij miste haar en haar regelmatige bezoekjes. Het contact met haar kinderen is gelukkig blijven bestaan.
Een rode draad in zijn leven is zijn geloof in God geweest. Dat geloof uitte hij op een manier die niet altijd de onze was. Zijn wortels lagen in de zwaar Calvinistische hoek. Nadat mama was overleden gaf hij daar meer uiting aan. Graag discussieerde hij over geloof, geloofszaken en politiek. Hij had een uitgesproken mening en was daar moeilijk van af te brengen. Een voor ons grappige eigenschap van papa was zijn onhandigheid en geen gevoel voor techniek. Zo heeft hij menig mobiele telefoon versleten en ruilde die weer in of gaf deze aan één van z’n kleinkinderen met tekst “tis een klongel!”

Jan
Andere voorbeelden van onhandigheid:
Gerda had handstand geleerd op de gymnastiek. Papa zou even demonstreren dat hij dat ook nog kon. Hij kwam met zijn benen onder tegen de door mama keurig gedekte zondagse tafel aan. De tafel veranderde in een glijbaan voor serviesgoed. Het enig nog overgebleven hele bordje werd door mama naar zijn hoofd gesmeten.
Autorijden
Achteruit rijdend in een inrit van 6 meter breed slaagde hij er nog in om de post van het hek te raken. Drempels op de weg heeft hij ook nooit goed begrepen, hij gebruikte ze onbedoeld als springschans en verfoeide Rijkswaterstaat en Gemeente. Met z’n rijvaardigheid op de elektrische fiets was het al niet veel beter gesteld. Er zat voor hem maar één versnelling op en dat was de hoogste.
Een paar jaar geleden is hij met zijn auto in de sloot beland. Vanuit Kampen reed hij via de polder Mastenbroek terug naar Zwolle. In de buurt van Stadshagen was er iets veranderd en de weg verlegd, vervolgens kwam de auto van papa in de sloot terecht. Met hulp van toegesnelde medeweggebruikers is hij uit zijn auto gekomen. Hij was drijfnat en z’n auto lag ondersteboven in de sloot.
Achteraf verklaarde hij: “ik geleuf uh det ik de bochte iets te ruum uh neum heb.”

Vissen
Met vishengels had hij ook altijd ruzie. De snoeren zaten in de war of dure insteekhengels belandden voor de helft in de IJssel. Met werphengels was het al niet veel beter. De werphengel werd een wegwerphengel. Er werd doorgaans ook niet al teveel gevangen.

Kampen 5 juni 2010

Tot slot,
Zes jaar geleden werd papa 80. Hij was een dankbaar mens en beschouwde zich als behorend bij de sterken. Vaak zei hij: ik ben een mens van de dag en elke dag dat ik er ben en gezond ben is een geschenk. Papa stond ‘positief in het leven’.
Hij vond ook dat je vooral geen zelfbeklag moest hebben maar vooral de mooie dingen moest zien. Het feit dat hij toch nog ernstig ziek moest worden was een beproeving voor hem en voor ons. Het afhankelijk worden van anderen kostte hem veel moeite, hij wist met die afhankelijkheid ook moeilijk om te gaan. Ondanks z’n ziekte bleef hij een rotsvast vertrouwen houden in zijn bestemming. We zullen hem heel erg missen maar zijn blij dat er een eind gekomen is aan zijn lijden. Papa is thuisgekomen.

Ik zelf [Erik] kan er aan toevoegen dat ik de laatste jaren van zijn leven, vooral na het overlijden van Tinie, erg van hem genoten heb. En ik merkte dat hij mij ook graag mocht. Dat was wel eens anders geweest. Toen ik bij Gerda weg ging in de 80-ger jaren ben ik naar ‘s-Heerenbroek gegaan om dat te vertellen en om het, voor zover mogelijk, uit te leggen. Het werd door haar ouders natuurlijk niet begrepen. Ik had gefaald, en dat voelde ik ook zo. Ik had hun dochter niet gelukkig kunnen maken. Gerda’s vader noemde mij toen “een wolf in schaapskleren”. Dat ben ik nooit vergeten. Ik denk dat hij dat de laatste jaren van zijn leven niet meer zou hebben gezegd.

Permanente koppeling naar dit artikel: https://stamboek.eu/herdenking-begrafenis-toespraak/

Stamboek