Mijn vader Hendrik Marinus Stam
Utrecht 1910 – Voorschoten 1996
foto dd 3 maart 1991

Vloeddijkkazerne
In een notendop
Hendrik Marinus Stam was, geloof ik, als kind wat ongedurig. Niet extreem, maar toch was hij niet de gemakkelijkste om op te voeden. Om hem een veilig kader te geven waarin hij zijn energie kwijt kon lieten zijn ouders hem als puber al toetreden tot de zgn. Vrijwillige Landstorm. Dat begon dus op 11-10-1926, hij was toen 16.
Hij kon gratis reizen, want zijn vader werkte bij de spoorwegen, en dan had je dat soort privileges. Zo kwam hij terecht op de kazerne in Kampen op de Vloeddijk, zonder het te weten misschien wel oog in oog met de vader van zijn latere schoondochter. OPa Eijlander was toen twee en woonde er later schuin tegenover. Burgwal 126i. Dat huis, waar de Eijlanders woonden, is volgens het kadaster gebouwd in 1920.
Het gezin Stam was niet rijk, en dus zat een studie er niet in voor Henk. Met hem werd derhalve besloten dat hij de ingeslagen weg zou voortzetten, en hij werd door zijn moeder naar Breda gebracht: de Koninklijke Militaire Academie. Met zijn voorgeschiedenis en alle lessen en oefeningen die hij al had gehad, kon hij direct als Cadet-sergeant toetreden, in september 1930.

Na twee jaar, in augustus 1932 was hij klaar met de Militaire Academie. Hij was nu 2e Luitenant en werd tewerkgesteld in Assen, bij de Infanterie. In februari 1934 is hij getrouwd met Tonia Menthen, en in december kregen zij samen een baby: Hendrik Marinus, mijn halfbroer.
Zo begon het. Bijna alles was naar wens. Maar toen kwamen er vijftien heel zware jaren, want de oorlog brak uit, en Tonny Menthen’s ziekte werd manifest en ze overleed, en dat was pas het begin.
De ziekte die Tonny had was hun bekend. Aanvankelijk, nog voor hun huwelijk, leek ze soms ongewoon onhandig: ze liet spullen uit haar handen vallen. Toen dat erger werd kwam er medisch onderzoek en de ziekte Multiple Sclerose werd vastgesteld. Die ziekte was ongeneeslijk, maar toch besloten mijn vader en zij hun relatie voort te zetten en zo geschiedde.
Tonny was de oudste dochter van een gezin in Vreeswijk. Haar vader was handelaar en caféhouder. Over dat gezin: zie het boek van mijn broer.
Alles op een rijtje (de dorre cijfers)
Zijn vader was: Hendrik Marinus (Hendrik) STAM, ambtenaar der Nederlandse spoorwegen, geboren op 12-12-1872 te Utrecht (gezindte: remonstrants), overleden op 27-06-1947 te Utrecht op 74-jarige leeftijd, zoon van Willem Frederik Cornelis STAM en Maria PRIEM.
Gehuwd op 32-jarige leeftijd op 06-07-1905 te Utrecht met Maria Aukje (Marie) van der POUW, 23 jaar oud, geboren op 07-02-1882 te Utrecht, overleden op 05-03-1967 te Utrecht op 85-jarige leeftijd, begraven op 09-03-1967 te Bilthoven, Den en Rust, dochter van Marinus van der POUW en Aurelia BROUWER, kosteres in de Jacobikerk.
Uit dit huwelijk:
1. m Marinus Hendrik (Rinus) directeur Burger Weeshuis te Den Haag, geboren op 17-04-1906 te Utrecht, overleden 20 jan 1970 Den Haag, 63 jaar.
2. v Aurelia Maria (Aura) geboren op 17-12-1907 te Utrecht, overleden 20 jan 2004 Zeist, 96 jaar

Hendrik Marinus moet hier poseren bij de fotograaf. Onzichtbaar voor de kijkers, maar des te lastiger voor betrokkene: een standaard achter hem met een beugel in zijn nek houdt hem in de juiste positie.
Hij is 6 jaar oud. De reden voor die beugel was dat de belichting van de foto even duurde. Een beweging van het object zou de foto onscherp, en dus waardeloos maken.
3. m Hendrik Marinus (Henk) STAM, landmachtofficier, geboren op 12-07-1910 te Utrecht, gedoopt (NH) op 15-01-1911 te Utrecht, door ds Troelstra in de Jacobikerk, Utrecht, overleden op 02-12-1996 te Voorschoten op 86-jarige leeftijd, begraven op 06-12-1996 te Den Haag,
Gehuwd (1) op 23-jarige leeftijd op 01-02-1934 te Vreeswijk met Tonia MENTHEN, 24 jaar oud, geboren op 21-01-1910 te Vreeswijk, overleden op 18-09-1944 te Den Haag op 34-jarige leeftijd, dochter van Gerhardus Christoffel Rokus MENTHEN en Roelanda Johanna van DODEWAARD.
Gehuwd (2) op 36-jarige leeftijd op 26-07-1946 te Ulrum met Eltje Martina (Elta) POOL, 27 jaar oud, geboren op 28-02-1919 te Ulrum (gezindte: Geref.), overleden op 17-03-1991 te Voorschoten op 72-jarige leeftijd, dochter van Klaas POOL, winkelier en koperslager, en Henderika SIEGERS.

Huwelijk 1934
Uit het eerste huwelijk:
a. m Hendrik Marinus geboren op 31-12-1934 te Assen, overleden 29 jul 2009 Ouderkerk aan de Amstel, 74 jaar.
Uit het tweede huwelijk:
b. m naamloos kind, geboren op 25-11-1948 te Den Haag, overleden op 26-11-1948 te Den Haag, 1 dag oud.
c. m Erik Klaas geboren op 21-04-1950 te Den Haag
d. v Helma Martina geboren op 05-06-1954 te Den Haag
4. v Josina Adriana (Jo) geboren op 20-09-1919 te Utrecht, overleden 18 sep 2015 Heemstede, 95 jaar

Zijn jeugd:
Het gezin waarin hij opgroeide
En vervolgens zijn eindexamen op de KMA en bevordering tot officier bij de Koninklijke Landmacht:
KMA Promotie 1932

Stam staat middelste rij, zesde van rechts.
Na zijn officiersopleiding op de KMA werd mijn vader geplaatst in Assen bij de infanterie.
(M.i.v. 1-8-1932 Benoemd en aangesteld bij het wapen de Infanterie bij het 1e R.I. tot 2e Luit (KB nr. 146 dd 26-7-1932)
Wat mijn vader mij vertelde over de tijd in Assen was, wat het werk betreft, geen prettige herinnering. Het Nederlandse leger was in erbarmelijke toestand. De dienstplichtige jongens waarmee hij te maken had hadden weinig zitvlees. Drentse boerenknullen die vooral hard moesten werken en oefenen, want anders zou de verveling dodelijk zijn.
En mijn vader diende dus bij zijn commandant verzoeken in om met de mannen de hei op te mogen om te oefenen. Het werd niet toegestaan. Ze moesten op de kazerne blijven. Sterker nog, er kwam een richtlijn uit Den Haag dat de militairen binnen de gebouwen moesten blijven omdat de burgerbevolking zich stoorde aan de waarneembare leegloop. Voor een jong officier was dit een vreselijke toestand. Hij nam zich voor om zo snel als zich een gelegenheid voordeed, weg te gaan uit Assen. Terug naar de schoolbanken en doorleren.
Ik herinner me uit die periode in Assen een verhaal dat hij me vertelde.
In die tijd ging de verplaatsing van de militairen nog vooral te paard of op de fiets. Hij had als officier natuurlijk ook een paard.
Zijn commandant ook, maar die had moeite om het dier in bedwang te houden. Het was een wilde! Enfin, mijn vader bood aan om het paard eens onder handen te nemen. Dat mocht en hij ging er een eind mee rijden. Terug op de kazerne was het beest zo mak als een lammetje. Hij had hem afgeranseld.
Ik heb deze anekdote goed begrepen. Zo zag hij mensen ook waar hij leiding aan moest geven en zo ook zijn naasten en kinderen. Later in mijn leven besefte ik dat ik het paard was en hij de ruiter.
Ik wierp hem af.
Af en toe konden officieren zich opgeven voor een hogere vorming, aan de Hogere Krijgsschool, of voor administratieve of economische opleidingen aan een universiteit. Het zou niet uitmaken welke aanbieding er kwam: hij zou alles aannemen om weg te komen bij het werk dat hij deed op de kazerne.

Stoere foto van mijn vader. Volgens Christiaan gedateerd 1938.
De motor is een 750cc Indian Sport Scout
Delft
Toen kwam in de loop van 1936 zijn kans om weg te komen: Hij mocht naar Delft. Hij zou dat nooit bedacht hebben, want hij was geen ster in exacte vakken, maar de aanbieding kwam en hij werd toegelaten. Het bood hem een ontsnapping en dus verhuisde het gezin naar Delft.
Mijn vader heeft de Cursus hogere vorming aan de Technische Universiteit in Delft gevolgd van september 1936 tot september 1939.
Pas in 1948 kreeg hij zijn diploma:
28-8-1948 Heeft met vrucht de cursus voor Hogere Technische Vorming van Officieren in de periode Sept. 1936 – Sept 1939 gevolgd (Ra. Nr. 502 dd 25-8-1948)

De gepensioneerde luitenant-generaal tit. H. J. A. FEBER der artillerie is op zijn verzoek eervol ontheven van zijn functie als leider van den cursus voor Hoogere Technische Vorming van Officieren te Delft. Zijn opvolger is de gep. kolonel der artillerie J. G. TINBERGEN. De afbeelding geeft den generaal bij zijn afscheid in het cursuslokaal, te midden van leeraren en leerlingen
Achterste rij tweede van links leerling Stam
Oorzaak was gelegen in de oorlogsjaren. In feite had hij de cursus nagenoeg helemaal gevolgd, maar tot een afronding was het niet gekomen door de inval van de Duitsers. Hij heeft toen, aan het einde van zijn periode in Nederlands Indië verzocht aan de autoriteiten om toch een erkenning te krijgen dat hij de cursus met goed gevolg had afgerond. Die erkenning kreeg hij en daardoor kreeg hij toegang tot de hogere officiersrangen. Vermoedelijk kon hij zich nu Ingenieur noemen, maar dat heeft hij nooit gedaan.



Identiteits-document, 25 november 1940
Departement van Defensie.
Regelingsbureau DML [=Directeur Materieel Landmacht]
CvP [= Commissie van Proefneming]
Toen in Mei 1940 de oorlog uitbrak werkte mijn vader in Den Haag, in de Javastraat bij de Commissie van Proefneming. Toen bleek dat er met Duitsers gevochten werd belde hij maar eens op naar zijn chefs om te vragen wat zijn bijdrage zou kunnen zijn. Hij moest blijven waar hij was. Dus geen spektakel van oorlogshandelingen. Gewoon op je bureau blijven en afwachten. En zo begon de oorlog voor de meeste Nederlanders: het leven ging gewoon door.
Door zijn opleiding was hij gespecialiseerd in allerlei technische zaken die met wapens te maken hadden: kleinkaliberwapens en ook springstoffen en munitie. Toen de rust enigszins weerkeerde in de beginperiode van de Duitse bezetting werd hij gevraagd om op allerlei plekken waar dat nodig was niet-ontplofte vliegtuigbommen en granaten (blindgangers) onschadelijk te maken. Daartoe reed hij in een fantastische slee van een auto, die, met vele andere, ongebruikt in de garages van de ministeries in Den Haag stonden.
Ik herinner me een verhaal dat hij me vertelde over die tijd waaraan hij grinnikend terugdacht. Er was ergens alarm: er zou een bomkrater in een huis zijn geslagen. Hij er naar toe. Hij was dus de autoriteit die aan iedereen kon zeggen hoe er gehandeld moest worden, en dat deed hij: de hele wijk in die stad werd afgezet en een groot gebied geëvacueerd. Hij liet zich de weg wijzen door een van de lokale autoriteiten. Ruggelings liepen ze voorzichtig langs de muren van de verlaten straten. Toen ze bij het bewuste huis kwamen zag mijn vader dat het dak volledig intact was. Hoe kon dat? Enfin, hij moest maar gaan kijken, en inderdaad was er een enorm gat in de grond ergens in het huis. Het bleek de poepdoos te zijn die was ingestort.
De chaotische jaren:
Krijgsgevangenschap,
De vlucht naar Ulrum,
Bevrijding, chaos en wederopbouw
Verdere levensloop
De carrière van mijn vader ging in een gestage lijn omhoog langs de rangen. De laatste functie die hij bekleedde heette: plaatsvervangend kwartiermeester generaal. Hij was toen generaal majoor. De datum van zijn ontslag was 11-11-1970. Hij was toen dus 60 jaar oud. Hij had nog langer kunnen doorwerken, zelfs met een rang hoger. Dat zou een functie in Brussel betreffen, maar hij besloot dat aanbod niet aan te nemen. Er waren teveel zorgen om Helma.
Ooit heb ik hem wel eens gevraagd wat hij had willen worden als hij niet een militaire loopbaan had gehad. Hij antwoordde toen: zendeling.
Terugkijkend vind ik dat mijn vader heel kinderlijk geloofde in God.
Jezus komt volgens de Bijbel pas terug als het evangelie over de hele wereld is verspreid en iedereen dus de kans heeft gehad, zich te bekeren. Dat is een van de redenen dat sommige christenen proberen te evangeliseren in landen waar men nog vrij onbekend is met het levensverhaal van Jezus. In Matteüs 24:14 staat: “Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde komen.” bron: wikipedia
Dat kon hem niet snel genoeg gaan, dus vandaar: zendeling.
Mijn vader deed tamelijk relativerend over zijn loopbaan. Het feit dat hij op school onvoldoendes scoorde op het gebied van de exacte vakken, en dat hij toch de technische specialisatie aan de universiteit in Delft heeft kunnen volgen was voor hem eigenlijk iets om over te grinniken. Hij was een plichtsgetrouw werker die nergens echt in uitblonk. Daarmee heeft hij het gered, in de na-oorlogse omstandigheden waarbij de hoger geschoolde officieren schaars waren: dus hij had ook de wind mee. Wel gaf hij als verklaring voor zijn mooie loopbaan, dat hij altijd had gezocht naar specialismen. Hij wilde bekend zijn op terreinen waar anderen niet in thuis waren. “Dan hebben ze je altijd nodig” zei hij.
Door zijn werk kwam hij al vroeg in contact met de Israëlische Militaire Industrie. Hij deed zaken met ze en daaraan beleefden beide partijen veel genoegen. Als dank (na zijn bijdrage bij de zesdaagse oorlog) kreeg hij ooit een Hebreeuwse bijbel, belegd met zilver en stenen. Dat ding stond in de kast en hij was er erg verguld mee. Nu staat hij bij schoonzus Joke.
Een gebeurtenis die lang indruk op mij heeft gemaakt was de volgende.
Israël kwam terecht in de zogenaamde zes-daagse oorlog in 1967. Ik was toen 17 jaar. Op een goede dag, ’s avonds, zat onze woonkamer vol met Israëlische militairen. Zij waren op dat moment in oorlog en ze hadden alle steun nodig die ze konden krijgen. Het was voor hen er op of er onder, maar de westerse landen hielden zich afzijdig en gaven geen steun.
Door de intensieve contacten die mijn vader had met de Israëlische Militaire Industrie (IMI) kwamen ze bij hem terecht met de vraag of hij ze tanks kon leveren. Hij wilde dat doen maar hij had rugdekking nodig van de toenmalige minister Den Toom. Die was pas minister geworden in het kabinet De Jong.
De minister zegde steun toe en vervolgens had mijn vader de handen vrij om bliksemsnel tanks te leveren die in allerlei depots waren opgeslagen. Die nacht nog werd door de officieren die bij ons in de kamer zaten de vlucht gemaakt per helikopter en wat ze verder maar ter beschikking hadden. Die tanks zouden het verschil kunnen maken in de oorlog, en dus voor het al of niet bestaan van de staat Israël.
Na de oorlog moest er natuurlijk afgerekend worden. De Israëli’s vroegen de rekening en mijn vader vroeg aan zijn secretaresse wat oud ijzer, schroot, op dat moment waard was. Dat werd de prijs. Ik schrijf dit alles uit mijn herinnering. De werkelijkheid was natuurlijk anders en veel gecompliceerder.
Citaat:
1967, aan de vooravond van de Zesdaagse oorlog, was er een plotseling een Frans wapenembargo tegen Israël. Transportvliegtuigen van de Nederlandse luchtmacht ontdoken het door onderdelen voor Israëlische Mirages en Mystères in het geheim af te halen van de Franse basis Châteauroux. Op het vliegveld Gilze-Rijen werden de onderdelen overgeladen in Boeings van El Al. Nederland en Israël bouwden vanaf 1964 samen hun Centuriontanks om. Dus leverde Nederland tijdens de Zesdaagse Oorlog (producent Engeland weigerde) onder andere extra motoren voor 250 Israëlische Centuriontanks. Bron: Kranten archief Trouw
Na zijn pensionering zocht hij contact met de wijkpredikant (Ds. P. de Bruijn van de Pax Christi kerk in Mariahoeve) want hij wilde nu graag Hebreeuws leren. Pas als hij die zilveren bijbel kon lezen mocht hij eigenlijk pas ten toon gesteld worden.
De Bruijn adviseerde hem, tot zijn grote verrassing, om colleges te gaan volgen in Leiden. Dat was het begin van 15 jaar studentenleven (ter illustratie: zie bij “documenten” de brief uit 1970). Hij leerde alle mogelijke talen, zoals Hebreeuws, Ugaritisch, Syrisch, Arabisch, maar hij volgde ook colleges in bijvoorbeeld muziekwetenschappen en filosofie. Het was alsof hij een heel leven aan het inhalen was. Uiteindelijk gaf hij zelfs les, want al die kennis alleen maar voor zichzelf vergaren dat vond hij niet bevredigend genoeg.
Uiteindelijk heeft hij er toch een punt achter gezet. Geheel verzadigd en dankbaar dat hij dit had kunnen doen.
Toen omstreeks 1988 mijn moeder te horen kreeg dat ze kanker had en nog 2 1/2 jaar te leven, veranderde zijn bestaan drastisch. Samen wijdden ze zich er aan om deze schok te verwerken.Ook in die tijd hield hij een aantekeningenboekje bij. Het is in mijn archief.
Het was een hopeloze strijd die ze eigenlijk nooit hebben opgegeven. Dat mocht je niet doen, want dat zou tegen het leven en dus tegen God indruisen. Na de voor mijn vader plotselinge dood (immers dat ze kon sterven mocht je niet eens bedenken!) van Elta kwam eindelijk ook zijn diepe verdriet van het overlijden van zijn eerste vrouw tevoorschijn. Het was voor mij een geheel nieuwe ervaring om mijn vader zo intens en zonder enige terughoudendheid verdrietig te zien zijn. Hij had het een jaar of veertig eronder weten te houden.
Ten slotte kwam de rompslomp, en het begin van afbouwen van zijn eigen leven: het huis moest verkocht en hij ging wonen in een ruim appartement in Voorschoten. Ook toen was hij bang voor gelden het huis werd voor een te lage prijs weggedaan.
Hij was ook toen zeer gedisciplineerd in het volvoeren van zijn dagelijkse dingen: ontbijten, met veel thee, wandelen tot hij erbij neerviel, rusten, de was doen, eten etc. Ik herinner mij dat hij de was deed en de lakens te drogen legde in zijn flat, uitgespreid over alle meubels.
Ook hij kreeg kanker uiteindelijk. In zijn darmen. Bestralen, chemokuren, en het mocht allemaal niet baten. Er werd lijden toegevoegd in een ongelijke strijd. In een taxi werd hij getransporteerd naar het ziekenhuis en het transport deed vreselijk pijn: iedere hobbel in de weg ging hem door merg en been. Hij beklaagde zich erover bij de chauffeur maar die was niet geïnteresseerd.
Uiteindelijk gaf hij het op, na een bericht van de specialist dat de behandelingen vruchteloos waren.
Hij keerde zich op zijn zij en wilde niet meer eten of drinken. Na 14 dagen overleed hij in het ziekenhuis in Leidschendam, tot het laatst toe bij vol bewustzijn. Tot het laatste moment was hij als vader een voorbeeld voor me: dus zo sterft een mens!
Zijn laatste woorden
Nog een keer kwam hij bij uit zijn coma. Gerda en ik waren bij zijn bed, en hij vroeg: “Ben ik nu in de hemel?” We schoten in de lach.

Recente reacties