
Berta en Homme zomer 1944 bij Berta thuis
Onderstaande tekst is het resultaat van een gesprek dat ik had met tante Berta t.t.v. de begrafenis van Henk Lazonder (broer van mijn schoonzus), januari 2002 in Austerlitz. Het was ongepland, maar ik stelde haar alle vragen die ik ooit had willen stellen maar nooit durfde.

Bussemaheerd
Alberta Martje (“tante Berta”) Pool trouwde met Homme Bulthuis. Ze vertelde me dat haar schoonmoeder op de boerderij woonde. Dat was de eigenaresse van Bussemaheerd (ik mocht van haar geen “boerin” zeggen, dat was niet gepast). Daarnaast waren er Homme, Martinus en Alf. Alf was nog betrekkelijk jong in die tijd. Martinus werd commissionair, en dus zou Homme vermoedelijk op de boerderij komen of later Alf. Maar: Homme overleed. En toen Alf boer wilde worden werd de grond, die bij de boerderij hoorde, onteigend door de gemeente, in verband met een uitbreidingsplan. In ruil daarvoor kreeg Alf een perceel in de Noordoostpolder, in Tollebeek. Daar werd hij boer met Lucie. Uiteindelijk werd de oude boerderij verkocht aan boer Bouma, die elders in Ulrum zijn bedrijf had.

4 januari 1950, gemeentehuis Ulrum t.g.v het huwelijk van Grietje Bulthuis en Marten Bron. Tante Berta met haar schoonmoeder.
Ik vroeg tante Berta waarom ze met Homme was getrouwd, omdat immers iedereen wist dat hij ziek was. Ze zei dat inderdaad, achteraf gezien iedereen het wist, maar zij niet. Vermoedelijk had het niet uitgemaakt en was ze evengoed met hem getrouwd. Maar uit het gesprek met tante Berta bleek me steeds weer hoe weinig ze in die tijd had geweten over het leven en de wereld. Er werd haar niets verteld. Over zulke dingen werd niet gesproken, en dus zei ze keer op keer tegen me: “Ik wist niets”, en daarmee bedoelde ze veel meer zaken dan alleen de ziekte van Homme. Ze herinnerde zich dat haar aanstaande schoonmoeder (weduwe Bulthuis-Ritzema) toen er sprake was van een bruiloft, met haar ouders was komen praten. Over de inhoud van dat gesprek werd ze niet op de hoogte gebracht. Achteraf, na jaren, bedacht ze dat het te maken zou kunnen hebben gehad met de ziekte van Homme. Haar vader had wel eens aan haar gevraagd of ze niet beter naar een andere man kon uitkijken. Zonder opgaaf van reden. In die tijd dacht ze dat haar vader Homme te oud voor haar vond: ze scheelden immers ongeveer 12 jaar.

Ulrum 29 november 1946
Toen ze gingen trouwen in november 1946 mocht het van moeder Pool niet zo uitbundig als bij haar zuster Elta, die in juli daarvoor was getrouwd. Geen toeters en bellen voor Alberta Martje. Achteraf denkt ze dat dat ook met de ziekte van Homme te maken had: eigenlijk moest er helemaal niet getrouwd worden.
Eenmaal getrouwd kreeg ze in de gaten hoe het leven met Homme was. Immers, hij had astmatische aanvallen, en al gauw kreeg hij ook aanvallen die met de schizofrenie te maken hadden. Dan was hij erg in de war. Hij kon bijvoorbeeld als een dolleman over straat in Ulrum rennen, soms naakt. En: hij besefte achteraf wat hij had gedaan. Tegen tante Berta zei hij dat hij haar nooit iets zou doen, maar daar was ze niet zo zeker van. Aanvankelijk kwamen die aanvallen met tussenpozen van een half jaar. Later werd het steeds frequenter. Alberta ging dan met Homme in de bus naar Groningen en in een latere fase van de ziekte naar Assen. In die tijd een wereldreis, en zeker als je een zeer angstige en verwarde man bij je had.
Aangekomen bij Licht en Kracht, het Psychiatrisch ziekenhuis in Assen, werd Homme onmiddellijk van haar overgenomen: men zag wel hoe de vlag er bij hing.
Als hij dan weer thuis kwam op de boerderij ging het wel een tijd goed. “Maar”, vertelde tante Berta, “’s nachts liep Pa dan wel eens in het achterhuis te scharrelen”. Die vond het vermoedelijk nog steeds maar niet fijn dat zijn dochter met Homme was getrouwd. Maar: er werd niets gezegd.
Ze vroeg eens in het psychiatrisch ziekenhuis wat er met haar man was. Men noemde het schizofreen. Er was een gespletenheid in zijn hoofd. Ze vatte dat op als iets fysieks. Botten of weefsel dat niet goed aan elkaar vast zat of iets van dien aard.
Steeds vaker werd Homme opgenomen, en steeds langer. Men diende hem af en toe wel eens elektroshocks toe. (vroeger ging dat nog erg primitief en zonder narcose). Dat had wel enig positief effect, zei tante Berta, maar wat precies het effect was werd niet duidelijk. Het was wel eens voorgekomen dat Homme, als Alberta even weg was, de hele boel in huis, het gedeelte waar hij woonde met Alberta, kort en klein had geslagen. Alles overhoop en kapot. De andere vrouwen in huis hadden dan voordat Alberta terugkeerde de grootste schade al weer opgeruimd, maar het was toch heel erg geweest. Hij werd dan weer opgenomen in Assen. Alberta ging dan maar naar haar ouderlijk huis, want op de boerderij was niets te doen voor haar, en thuis wel. Daar was immers de winkel en alles wat daarmee samenhing.
In de tijd tussen de trouwdag in 1946 en de sterfdag van Homme is Alberta nog een keer zwanger geraakt. Dit wist niemand, behalve zij zelf. Want: er werd niet gepraat, en zeker niet in Groningen. Toen ze vier maanden zwanger was logeerde ze eens in Winsum, bij een tante. (Dat was vermoedelijk Piek, de vrouw van Sietdienus) Daar, op een zolderkamertje kreeg ze in haar eentje een miskraam, en ze had geen idee wat er met haar gebeurde. Alleen dat ze enorme pijn in haar buik had. Ze haalde er niemand bij en ze heeft het in haar eentje opgelost. De volgende dag vertelde ze iets aan haar tante, en die begreep toen hoe de vork in de steel zat. Alberta heeft het nooit aan haar ouders verteld. Dit vertelde ze mij op 4 februari 2002 en ik was na de tante in Winsum de eerste die het verhaal van de zwangerschap en de miskraam te horen kreeg! Ik vroeg er naar en ze gaf antwoord, zonder schroom en vrijuit. Overigens heeft die tante in Winsum haar mond voorbij gepraat en het aan haar (Alberta’s) moeder verteld. Maar ook toen was er geen reden om met elkaar te gaan praten. Moeder en dochter hadden niet zo’n goede verstandhouding.
Toen Homme op een kwade dag tijdens een behandeling met elektroshock (medicijnen waren er in die tijd niet voor die ziekte) overleed, was dat voor iedereen onverwacht en een enorme schrik. Niemand had dat verwacht, ook de artsen niet. Achteraf, zegt tante Berta, is het het beste geweest voor Homme, maar zo werd dat toen zeker niet gezien. Ze klom in de hoogste boom, en vroeg aan de hoogste bereikbare geneesheer wat er nu eigenlijk allemaal was gebeurd. Die heeft haar toen alles uitgelegd. En ze vroeg waarom haar dat niet eerder was verteld. De arts zei toen: “Thuis wisten ze het wel”.
Homme werd begraven in Ulrum. Alberta had de nodige schokken zelf gehad en moest die op de een of andere manier verwerken. Haar schoonmoeder wilde niet dat ze haar huishouding opdoekte. Dat was niet goed. Toen schoonmoeder eens naar Amerika vertrok, heeft Alberta toch alles opgeruimd en is naar haar ouderlijk huis teruggekeerd. Daar kon ze echter haar draai niet meer vinden. Toen er familie over was uit Amerika stelde Alberta’s vader voor dat ze ook naar Amerika zou gaan. Met tegenzin stemde ze toe: ze zou een maand gaan (“’n moand”). Dat werd anderhalf jaar. Ze zwierf de States door van de ene familie naar de andere met de Greyhound, en na die omzwervingen kwam ze als herboren terug.

Bronovo in 1948
Terug in Ulrum, waar de tijd had stil gestaan, was het voor haar niet te harden, dus goede raad was duur. Haar zuster Elta, in Den Haag, was in verwachting van haar tweede kind, Helma. Elta stelde haar voor dat zij na de bevalling bij haar het huishouden zou komen doen. Zo geschiedde: Alberta kwam naar Den Haag. In Bronovo, het ziekenhuis waar Elta lag bij te komen, bezocht Alberta haar zuster. Die “regelde” voor haar werk in de keuken van het ziekenhuis.
Al gauw werd Alberta hoofd van de keuken, en ze had het reuze naar haar zin. Op een dag riep de geneesheer directeur haar bij zich. Hij zei dat hij ander werk voor haar had. Dat viel verkeerd bij Alberta, want ze deed het toch goed? Kort en goed: ze nam op staande voet ontslag. De geneesheer directeur was een goed mens, maar ook een Groninger: een man van weinig woorden. Hij belde naar Elta, waar Alberta was. Maar Alberta was naar Ulrum. Ze zou voorlopig niet terugkomen. Maar de directeur bleef aandringen, en Alberta kwam terug. Het
werk dat hij voor haar had was de baan van directrice van een Rusthuis in Wassenaar: Huize Rust en Vreugd. Een prachtige baan, en daarvoor heeft ze de geneesheer dan ook nog zeer bedankt.’
Recente reacties