
Geboren in de Frankenstraat 86 te Den Haag, dat wil zeggen: daar woonden mijn ouders. Feitelijk werd ik geboren in een ziekenhuis in Scheveningen, de Emmakliniek, omdat mijn moeder moeilijk beviel en de geboorte die aan mij vooraf ging in 1948 beroerd was gegaan. Kort na mijn geboorte (15 juni) verhuisden we naar Erasmusweg 39.
Ik ben voor mijn gevoel levenslang op zoek geweest naar mijn “roots”. Postuum mijn ouders en voorouders leren kennen met als doel uiteindelijk om mezelf beter te leren kennen. Mijn gebrek aan worteling of aarding tekende zich zelfs fysiek af en bracht me bij allerlei wonderlijke therapieën en genezers. Al met al is dit product, waar je nu kennis van neemt, een soort helingsproces geworden. Ik had dat nodig om de ongewenste onderdelen van de erfenis te scheiden van al wat mooi en goed was.
Al doende ben ik wel eens wat uitgegleden of in een slip geraakt waardoor ik met het graven in het verleden wel eens een beetje op een zijspoor kwam. Dat gebeurde bijvoorbeeld met Belu Pool en “oom” Niek en een aantal anderen, maar niettemin waren dat interessante avonturen, en zo ging ik maar door.
Ik denk, als ik over mezelf reflecteer, dat ik door twee mensen onbedoeld grondig beschadigd ben: mijn vader en mijn moeder. De beschadiging door mijn vader was heftig maar die ging niet zo diep als die van mijn moeder. Mijn vader kan ik zien als een goede en integere man, die nooit het overlijden van zijn eerste vrouw Tonny Menthen heeft kunnen verwerken. Hij was zelf slachtoffer. Met name door hem en zijn grillige en agressieve gedrag heb ik mezelf wel eens beschouwd als een tweede generatie oorlogsslachtoffer. Op den duur ging ik rechtstreeks de confrontatie met hem aan. Dat was heel pijnlijk voor ons allebei, maar op de een of andere manier werd onze verstandhouding er beter door.
Over mijn moeder kan ik hetzelfde zeggen: ook zij kon er niets aan doen denk ik, maar ik heb haar van begin tot eind ervaren als een vrouw die mij niet in haar hart kon/wilde sluiten. Nooit heeft ze dat gedaan, en dat is voor een kind levenslang schadelijk. (misschien is dat nog af te leiden uit de teksten die ze schreef in het babyboek dat ze bijhield na mijn geboorte; in bezit van Hester)
Kon ik mijn vader nog bereiken …. bij haar is dat nooit gelukt. Beide mensen gaven me genoeg reden, toen ik bij bewustzijn kwam, om te gaan zoeken naar heling en naar blinde vlekken die ik blijkbaar had. Ik heb er een paar kunnen vaststellen met Gerda. Probleem bij blinde vlekken is natuurlijk dat je soms beseft dat ze er zijn, maar je kunt ze niet zien. Anderen brengen je op het idee soms. Enfin, ik bleef een gehandicapt mens waarmee zij verkoos te leven. Grootste drijfveer was altijd om zo min mogelijk schade aan mijn kinderen door te geven. Alle cadeautjes van mijn ouders aan mij moest ik uitpakken, of ik ze nu wilde hebben of niet. Lelijke dingen weggooien en de mooie dingen houden en doorgeven. Anders zouden we blijven hangen in de zonde “tot in het derde en vierde geslacht van hen die mij haten”.
In mijn herinnering waren de jaren aan de Erasmusweg goed. Dat waren gelukkige jaren voor mij. Ongeveer zo:
(Jack Poels)
Toen ik nog hiel klein waas en van ’t leave niks begreep allien mar speulde oot en sleep
toen ik nog zo klein waas dat ik op de tiene mos goan stoan um te kieke nar de moan
de witte streepe in de lucht ge kneept ow oege half dicht elke wolk waas ’n gezicht

Evelien, Erik Jisk 21 april 1958
Ik had een vriendje, mijn “beste vriend” Jisk Hoekstra. Ik liep van mijn huis aan de Erasmusweg naar zijn huis aan de Troelstrakade en vervolgens liepen we samen met de armen over elkaars schouders naar school. Dat was de Joh. Calvijnschool. Van zijn moeder kregen we vaak een stuivertje mee om onderweg in een snoepwinkel wat te kopen. Mijn favorieten waren het zgn stroopsoldaatje en de Belgische kauwgom. Ik herinner me dat Jisk een broer had: Menno, en dat zijn vader “adjudant” was in het leger, en dat vond ik heel stoer. Thuis moesten ze daar nogal om lachen omdat mijn vader veel hoger in rang was maar dat besefte ik niet. Jisk staat nog ergens op een filmpje dat mijn vader maakte ter gelegenheid van een verjaardag, samen met Fred van Blommestein een nog een paar zoals Rob Yoe. Op een avond, tijdens een bestuursvergadering toen ik directeur was op Beukbergen, werd ik plotseling gebeld door de moeder van Jisk, nadat we bijna 40 jaar geen contact hadden gehad! (Hoe ze mij daar vond is me nooit duidelijk geworden) Jisk was dood, vertelde ze (overleden 4 mei 1997, 46 jaar oud), en hij had het in de laatste periode van zijn leven veel over mij gehad. Dat overviel me zo, dat ik er niet goed op kon reageren. Na onze verhuizing van de Erasmusweg naar de Haverkamp was het contact met de familie Hoekstra verwaterd. Jisk had ik sinds die tijd nauwelijks meer gezien. Achteraf heb ik begrepen dat Jisk getrouwd is geweest, en gescheiden, en dat hij leed aan schizofrenie. Hij is niet oud geworden. Wonderlijk is wel dat hij te vinden is in de familiestamboom, als echtgenoot van Johanna Groenewold.

Evelien de Niet: 2e rij van onder, vierde van links Erik Stam: 2e rij van boven, 4e van links Jisk Hoekstra: 2e rij van boven, 9e van links
Ik had ook een vriendinnetje: Eveline de Niet. In een andere periode van die schooltijd liep ik met haar. Wij beloofden elkaar eeuwige trouw. We zouden dus met elkaar trouwen en dat ben ik nooit vergeten. Zij woonde 1 portiek verder op de Erasmusweg, en de wandeling naar school was lange tijd een groot avontuur. We zaten in de klas bij juffrouw Rijper. Onderweg kwamen we jongens tegen die ons kwaad wilden doen. We moesten dan een omweg maken en soms waren we behoorlijk bang. Ik herinner me dat we heel lang samen te laat op school kwamen, maar ik kan me daar geen straf of andere maatregelen over heugen. Wel dat we samen een keertje hebben staan bidden tegen een muur van een huis om God te vragen die jongens weg te sturen. Toen ik klaar was met bidden waren de jongens weg en ik zag een donkere vlek tegen de muur, van mijn adem. Wonderlijke details die blijkbaar een mensenleven mee gaan. Op een avond kwamen de ouders van Evelien en zij zelf, bij mijn ouders afscheid nemen: ze gingen verhuizen. Daarna heb ik haar nooit meer gezien.

mijn moeder, Helma, Erik en Eveline in 1957
Ik kreeg op zeker moment een uitnodiging voor een reünie van de school waar ik toen heenging: de Johannes Calvijnschool. Achteraf gezien was het een nogal zware school qua geloofsopvattingen. Zo schreef Juf Van Baal in een reactie op de uitnodiging die haar werd gestuurd:
Het jaar dat ik aan de Calvijnschool heb lesgegeven is voor mijn gevoel zo lang geleden, ik heb er ook niet veel en ook niet zulke prettige herinneringen aan. Dat heeft niet te maken met jullie klas, maar meer met de nogal starre en bekrompen instelling van het hoofd der school Den Broeder. Zo herinner ik mij duidelijk dat ik geen lange broek mocht dragen en dus ‘s winters met een lange broek onder mijn rok op de fiets zat. ‘s Zomers kreeg ik aanmerkingen over de doorzichtigheid van mijn bloesje……
Ik heb niets gemerkt van- en ook niet geleden onder- dat regime.
We zijn verhuisd naar de Haverkamp en vanaf dat moment ging het mis. Het voelt als een breuklijn in mijn leven. Op een keer stal ik uit de klas van meester Mutter geld uit het zendingsbusje. Kwartjes. En ik werd verraden door een klasgenoot … bleek mij de volgende dag op school. Algehele vernedering. Een andere keer werd ik door een wild spel tegen een muur gekwakt en ik raakte buiten westen. Wakker werd ik op de grond onder de tafel van het hoofd der school Dhr. Peters. Ik heb weken met een hersenschudding thuis in het donker in bed gelegen.

ik zit geheel links onder

Gaspard de Coligny school Den Haag 1961 achterste rij vijfde van links: Annelies Zijlstra. ik zit voor haar

ik sta derde van rechts. Annelies Zijlstra op de knieën 3e van links. In het midden zittend Ea de Gaay Fortman
Over die tijd is een boek geschreven. Het staat in mijn kast. Het heet “Sneu” en de auteur schrijft onder het pseudoniem Anne Wiarda. We zaten bij elkaar in de klas van meester Mutter (in het boek heeft hij een andere naam), een Indisch type, en haar vriendin was Ea de Gaay Fortman. Twee meisjes uit de Haagse wijk Marlot. Het boek is eigenlijk een afrekening van Annelies Zijlstra (de schrijfster, en dochter van destijds minister Jelle Zijlstra) met die vriendin. Niet al te hoogstaand boek maar er zijn fragmenten in beschreven van de puinhoop in die klas waarin ik mijzelf herken.

tweede van onder tweede van rechts
Hierboven de eerste klas op Zandvliet aan het Bezuidenhout. De school waar mijn broer ook op had gezeten. Hij had vermoedelijk zelfs dezelfde leraar tekenen die hier staat afgebeeld: De Heer van Vliet, de vader van Paul van Vliet.
Ik voelde me erg eenzaam, en op school en thuis kwam ik in een geïsoleerde positie te verkeren. Het was zelfs zo erg dat ik dood wilde. Ik probeerde mezelf te elektrocuteren. Dat mislukte natuurlijk, en die aanvechting heb ik nooit meer gehad, maar mijn leven bleef beroerd. Aan de oppervlakte was dat niet zo te merken (zie de mooie kop op de schoolfoto; ik zou dat jaar voor de tweede keer blijven zitten in dezelfde klas en vervolgens overstappen naar de MULO), maar jarenlang zou ik me te diepste over het leven en mezelf, doodongelukkig voelen.

2e rij van onderen, derde van links. Mijn kameraden waren Cees van den Berg en Paul Kleisen, bovenste rij 4e en 3e van rechts
14 jaar oud, tweede klas HBS Zandvliet. Omstreeks die tijd kreeg ik een bril.
Meer over Cees van den Berg

De MULO waar ik heen ging 1965 nadat ik was afgedaald van gymnasium en daarna HBS

Christelijk Lyceum Voorburg eindexamenklas hbs

toepen thuis bij Huib

Pas op het christelijk Lyceum Voorburg kwam het weer een beetje goed. Eindelijk kreeg ik vrienden, Huib Spek en Dick Oosterom. Op de klassenfoto staan ze links van mij. In die klas heb ik met hen vooral thuis bij Huib en bij mij enorm veel plezier gehad. School was bijzaak. We toepten bijvoorbeeld en maakten grappige geluidsopnames op de bandrecorder van mijn ouders.
Later, na het eindexamen, gingen we samen met vakantie. We brachten het zelfs tot in Noord-Frankrijk. We sliepen in bossen of in verlaten boerderijen of in hooibergen. Prachtige tijd!


Witboek van Van Kleffens:
Ik denk dat ik een jaar of 16 was, misschien iets ouder. We woonden in Den Haag, Haverkamp 3 en
mijn vader herinnerde zich ineens iets uit de oorlog dat hij vergeten was. Hij deelde dat met mij. Hij
had in de oorlog gewoond met zijn vrouw Tonny en zoontje Henk in de Akeleistraat. Het huis dat is
afgebeeld op de omslag van het boek van mijn broer.
Zijn herinnering was dat hij wat had begraven in het schuurtje achter het huis: een boek en twee
granaten. Als niemand daar had gegraven zouden die spullen er nog moeten liggen.
Die granaten waren geen handgranaten maar dingen die met een granaatwerper zouden moeten
worden afgeschoten. Het waren de koppen daarvan en ze waren gevuld met kamfer, dus onschadelijk. Het
boek zou het zgn “Witboek van van Kleffens” zijn. Het zei me niets maar ik vond het spannend en
leuk genoeg om op onderzoek uit te gaan.
Mijn vader legde de precieze locatie uit in het schuurtje van het begravene en ik ging op pad, op de
brommer of de fiets, naar de Akeleistraat.
Eenmaal aangekomen belde ik aan en gelukkig werd er open gedaan. Reis was niet voor niets
geweest. Ik legde uit dat mijn vader er had gewoond en dat hij wat had begraven in de schuur. “Of
ik dat mocht opgraven? Het zou gaan om een boek en twee oefengranaten …..”
De bewoners schrokken en lieten me gauw binnen en ik mocht mijn gang gaan in het schuurtje. Ze
lieten me en na enig gewroet vond ik inderdaad onder een stoeptegel wat mijn vader daar 25 jaar
geleden had verstopt.
Ik nam mijn trofee, een blikken trommel met de genoemde inhoud mee naar huis.
Het Witboek van Mr. Van Kleffens
1943
het Witboek van Mr. Van Kleffens. “dit boekwerkje destijds bekend als het Witboek van M.r. van
Kleffens is een van der exemplaren van een oplage van ongeveer tien stuks, waarvan de uitgave in
1943 werd verzorgd door twee ex-scholieren van de gemeentelijke HBS-B te Nijmegen ( N.A.
Pikaar en W. Grootaarts )” “Zij meenden op deze wijze te moeten bijdragen aan de verspreiding
van informatie die naar hun mening voor het bezette Nederland van belang was. Hoe zij aan het
oorspronkelijke exemplaar zijn gekomen is niet meer bekend. Indertijd was dit overigens een
gegeven dat men uit veiligheidsoverwegingen beter niet kon weten. De jongelui beschikten niet over
typevaardigheid: het grote aantal fouten zij daarmee verklaard
https://www.oorlogsbronnen.nl/bron/https%3A%2F%2Fwww.collectiegelderland.nl%2Fobject
%2F1c724c0e-7172-628c-43f7-4c67ff0e531b
Tot zover mijn avontuur als opgraver.
Ik ontwikkelde een fantasie over wat ik later wilde worden. Dat hielp me om gemotiveerd te blijven om scholen af te maken. Mijn doel was om naar de Militaire Academie te gaan en vervolgens een soort supersoldaat/overlever te worden door een opleiding bij de commando’s. Die jongensdroom met plakboeken en al er bij hielp me er door en ik kwam op de KMA en zelfs een week of zeven bij de commando’s. Maar ook op de KMA voelde ik me alleen en kon ik niet echt meedoen. Al met al waren mijn opleidingen, inclusief de theologie later, niet een genoegen.

appels plukken in Nachal Gezer, Israël

Na mijn eindexamen HBS-A mocht ik van mijn ouders naar Israël. Ik ging werken in een Kibboets. Eigenlijk was het een Nachal, dat wil zeggen dat het een Kibboets was zonder vaste bevolking die gerund werd door dienstplichtige militairen. Het was daar nog spannend merkte ik want 24 uur per dag werd er door gewapende militairen over ons gewaakt.
Ik liep daar een virus op. Vermoedelijk omdat ik in de nachal veel in contact was geweest met een hond. Resultaat: ik werd toegelaten tot de KMA en in de eerste periode daar zag ik dubbel. Twee beelden schoven over elkaar heen. Ik moest naar het Militair Hospitaal in Den Haag waar ik werd onderzocht en een tijd moest blijven. Uiteindelijk ging het vanzelf over maar het heeft denk ik maanden geduurd. Daardoor ontliep ik de ergste delen van de ontgroening op de KMA. Dat was een geluk bij een ongeluk.
Ik herinner mij het allereerste bivak. Slapen op de hei in puptentjes en allerlei beginselen leren van het militaire leven. Ik had natuurlijk geen baard. Dat mocht niet toen. Dus er moest ’s morgens toilet gemaakt worden en dus ook geschoren. Thuis deed ik dat met een elektrisch apparaat aan een snoer maar in een tentje kan dat natuurlijk niet. Mijn voorbereiding had ingehouden dat ik een scheermes had gekocht en daarmee moest het gebeuren. Inzepen en dan maar schrapen over de wangen. Resultaat: het vel lag er af. Ik had het te grondig gedaan! Met bebloede wangen waar ik me totaal niet van bewust was verscheen ik op het appèl. Ontsteltenis bij het kader en ik moest me opnieuw wassen en laten verbinden. Voordeel van deze operatie was dat ik de rest van de dagen geen camouflage troep op mijn snufferd hoefde te smeren (een soort zwarte schoensmeer).

vlnr Stam, van den Hout, Smit, Jeurissen, ?? Joep Engelen
Na die begintijd op de KMA werden we als jaar toegelaten als officieel lid van het Cadettenkorps. Een hele heisa werd daarvan gemaakt. Met eed en/of belofte en al …
Ik sta hier naast Tjako van den Hout. Die stopte het eerste jaar al met de opleiding. Hij werd rechtenstudent in Leiden. Ik zocht hem daar nog wel op en correspondeerde nog een tijd met hem. Midden voor de tafel staat Willem Jeurissen. Die werd generaal en hem zou ik weer tegenkomen na mijn uitzending op Cyprus.

Mijn vaste kameraad op de KMA was de meest rechtse op de foto: Henk Groeneveld uit Almelo (kerkstraat 13; ze hadden een winkel en ik logeerde daar wel). Met hem en zijn ouders ben ik nog met vakantie geweest in omgeving Fréjus. Mooie tijd.
Links ligt Hans Berkhout. Ook zoon van een generaal. Hij zou niet oud worden. Hartaanval tijdens een oefening toen hij eenmaal de fel begeerde rang van Ritmeester had bereikt.

Ik werd nogal sportief. De twee zwaarste sporten waren roeien en boksen. Ik koos roeien. Vijf maal per week zwaar trainen en een speciaal dieet. We aten apart van de rest. En niet roken en drinken natuurlijk. in de boot zat ik op “slag”. Dat is de man die tegen de stuurman aankijkt en de anderen volgen het ritme van de “slag” .
Bij op de KMA opgeleide officieren zijn de feesten daar legendarisch. Er was het jaarlijkse zgn Assaut en tussendoor zgn soirees. Mijn vader wist dat natuurlijk en ik werd een paar keer gevraagd of ik een dochter van een collega generaal wilde meenemen om het Assaut mee te beleven. Zo geschiedde.

De eerste die aan de beurt kwam was Cornélie Feith. Dochter van Ties en Nelleke Feith. Hij was ook generaal en ze waren bevriend met mijn ouders.
Procedure was dat ze aankwam met de trein in Breda. Ik had twee dingen moeten regelen voor haar: een hotel waar ze kon overnachten en een of twee corsages die ze die dagen moest dragen. Verder moest ik haar transport van en naar het hotel regelen. Vermoedelijk met taxi’s. Met haar maakte ik 2 oct 2023 weer contact. Ze vond het leuk en ik stuurde haar foto’s en film waar haar ouders opstonden.
Meer over Cornélie

zittend: Thom Rolf, Hanneke van Zanten, Sonja Meines en ondergetekende
Het volgend jaar kreeg ik twee meiden mee. Hanneke van Zanten en Sonja Meines. Eveneens generaals dochters. Hanneke werd toevertrouwd aan een jaargenoot van mij: Thom Rolf. Verder was de procedure hetzelfde als het voorgaande jaar.
Sonja kun je eenvoudig vinden via Google want ze was de dochter van de bekende veteranen-generaal Ted Meines.
De vader van Hanneke heeft mijn vader denk ik ooit opgevolgd.
Jaren later kwam ik Ted nog wel eens tegen. Het ging niet zo goed met Sonja, vertelde hij: ze had MS.
Enfin, ik liep vast op de KMA.
Als ik niet was weggegaan hadden ze me er vermoedelijk afgegooid: Niet geschikt. Dat bleek met name toen ik in Zuidlaren stage liep en dienstplichtig soldaten moest opleiden. Ik was veel te sociaal met ze en slordig in de ogen van mijn leiding.
En zo viel de jongensdroom uit elkaar. Met mijn vader overlegde ik hoe nu verder. Hij had in mij nooit een goede officier gezien. Hij adviseerde theologie te gaan doen. In het veilige stadje Kampen. Gereformeerd en geen wild gedoe zoals in Amsterdam. Ik had moeite met dat idee van theologie. Dominee wilde ik zéker niet worden. Pa dacht dat ik met theologie nog alle kanten op kon. Dus ik volgde zijn advies en leefde verder in Kampen. Liep de kantjes eraf en probeerde te leren leven. Studie was bijzaak. Op mijn sloffen werd ik, zoals dat toen heette, Doctorandus!
Ik woonde in verschillende huizen in Kampen als student. Om te beginnen in een voormalig bejaardenhuis aande 3e Ebbingestraat. Daar kwam ik terecht met een aantal beginnende studenten. De bejaarden waren elders ondergebracht en de sporen die ze nalieten werden met plezier bekeken. Zo waren er veel oude dekenkisten. De inhoud, voor zover aanwezig werd bestudeerd en de kisten zelf kwamen aan de straat te staan. Grof vuil heette dat. Ik herinner me hoe ik een kamertje toegewezen kreeg. Niets stond er in en dus moest er een tafel en een stoel komen en natuurlijk een bed. En langzaam maar zekere begon ik daar voor het eerst mijn eigen huishouden.

Ongeveer in dezelfde tijd nam Gerda haar intrek in het zusterhuis in Kampen. Ook zij moest een kamertje inrichten en in dat proces kocht ze in een zaakje met tweedehands spullen een oude dekenkist. De huismeester van het ziekenhuis vroeg belangstellend wat ze daar nou voor betaald had. “Want bij het oude bejaardenhuis aan de Ebbingestraat staan ze bij het grof vuil!”
En dus gingen de verpleegsters in wording naar het studentenhuis. Ze belden aan en vroegen of ze die kisten mochten hebben. Ze werden te woord gestaan door een stel van mijn jaargenoten. Die vonden het prima mits er iets tegenover stond. Koffie met iets er bij of zo. Ik was er niet bij dus dit heb ik van horen zeggen.
Ik herinner me wel dat op een avond een jaargenoot met zijn vriendin bij mij langs kwamen. Ik lag al in bed en zij kwamen hun hart luchten: ze was zwanger. Hoe nu verder? Geen idee hoe dat verder ging maar er werd wel een kindje geboren: Maaike van der Velden, dochter van Martin en Abi.

kamper almanak 1972
Een aardverschuiving was in die tijd dat ik voor het eerst in mijn leven verliefd werd. Ik had het nooit meegemaakt dus en meisjes waren voor mij tot die tijd net als jongens maar dan op de een of andere manier anders. Ik vertelde het thuis, en natuurlijk werd dat volstrekt afgewezen. Mijn moeder vond geen enkele vrouw geschikt en zeker niet degenen waar ik op viel. Ooit had ze me voorgesteld om verkering te nemen met een meisje Arja van Benthem. Dus ik schreef Arja een brief waarin ik haar dat vertelde. Ze wees me vriendelijk maar ondubbelzinnig af.
De vrouw waar ik verliefd op werd woonde in hetzelfde huis als ik in Kampen. Een voormalig rusthuis voor bejaarden. Ze was pas gescheiden en had een kind Ronald. Haar las ik het boek Ruth uit de bijbel voor. Zij zorgde voor de kaarsjes en muziek van Fausto Papetti en zo hadden we het gezellig. In het boek Ruth komt God niet voor dus dat leek me laagdrempelig genoeg voor een onkerkelijke vrouw. Anders moet je gelijk zoveel uitleggen. Bovendien was het boek Ruth kort genoeg om in zijn geheel te doen.
Enfin ik ontboezemde haar mijn gevoelens en ook zij wees mij vriendelijk maar beslist af. Hetty van der Veen, dochter van een slager in Kampen. Ze kreeg een relatie met een hoefijzerhandelaar. Hans-Peter. Die reed in een volvo station naar de Scandinavische landen om zijn waar aan de man te brengen. Ze is vroeg overleden helaas.
Het overkwam me nog een keer. Nu was het Alie ter Veen waar ik op viel. Een jaargenote. Paar jaar (7) ouder dan ik . Voormalig onderwijzeres. Zij zag mij ook wel zitten en avonden en nachtenlang hebben we gepraat in haar huisje. Alleen maar gepraat. Ik was bang, weet ik nu, voor de volgende stap, wat dat ook zou zijn. Ze nam me mee, naar de voor haar belangrijkste mensen in haar leven. Eerst naar haar moeder in Borger. Daar (boven de meubelwinkel in hoofdstraat 63) logeerde ik met haar in haar ouderlijk huis en ze maakte wandelingen met me, ’s nachts en overdag. ’s Nachts nam ze me mee in een bos (Padenbos). Voor haar natuurlijk bekend terrein want ze groeide er op. Ze verstopte zich daar voor me in het donker. Daagde me uit, maar ik ging er niet op in. Ik had haar natuurlijk moeten zoeken en vinden en pakken….
De volgende dag ergens op de hei gingen we liggen en toen moest het gebeuren. Ze was er helemaal klaar voor. Maar ik deed niets. En zij verder ook niet. Dus ja … even goede vrienden. En later ben ik met haar naar Purmerend geweest. Daar woonde Dina ter Veen. Ik heb er geen herinnering aan. Achteraf bleek dat haar jongere zus te zijn (Alberdina Henny Heikina ter Veen, gehuwd met Jan de Schipper). Voor Alie waren haar moeder en zus Dina kostbare mensen in haar leven en die wilde ze met me delen (en/of ze wilde me laten beoordelen door de dames). Ik zag het toen niet en was er niet aan toe.
De dochter van Alie, Viola, noemt deze zus in het dankwoord in haar dissertatie (2016):
Tante Dina – I think without your care I would not have been the same person – thank you
for everything you have done for our family.
Farmor – thank you for your inspiration to be an independent and capable woman – I will
not forget you.
Verder brachten Alie en ik regelmatig tijd met elkaar door. Bijvoorbeeld fietsend in de polders omgeving Kampen. En bedenk wel: de mobiele telefoon was nog niet uitgevonden. Ze moet dit hebben voorbereid. Fotorolletje halen, camera meenemen. En later kreeg ik ook een afdrukje.
Ik was zo groen als gras met mijn 22 jaar. Niet voorbereid op een relatie met een vrouw. Ach het was mijn beginnende leventje als nitwit Don Juan. Achteraf besef ik dat alle initiatieven in onze omgang met elkaar van haar kwamen, behalve mijn voorzichtige melding van gevoelens voor haar.
Ook Alie werd niet oud. (meer over Alie)
Ik verhuisde van de Geerstraat naar de Buitenhofstraat 16 en vervolgens naar Buiten Nieuwstraat 61. Daar werd Hester geboren. Destijds was op de begane grond een timmerwerkplaats en wij woonden op de verdiepingen daarboven.
De derde keer was op Gerda. Mijn relatie met haar heeft me echt het leven gered en de rest van mijn leven zou ik soms samen met haar blijven zoeken naar de oorzaak van mijn ellendige gevoel over het leven en naar mogelijke verbeteringen daarin. Dominee wilde ik nooit zijn. Kerkdiensten leiden vond ik vreselijk, maar lesgeven aan groepen militairen en burgers kon ik als de beste. Met de kerk heb ik gebroken, maar ik ervaar mezelf zeer zeker als een spiritueel mens. Niet dankzij de studie theologie, want dat was alles behalve spiritueel, maar door ervaringen en boeken te lezen ontwikkelde ik mezelf op dat gebied.
In mijn relatie liep ik regelmatig vast. Raakte gefrustreerd en in de war. Een episode die me hielp om mijn horizon te verbreden was de tijd met Jan Fokkelman. Bij hem aan de universiteit in Leiden aan de faculteit Letteren studeerde ik Hebreeuws. Hij had een cursus gevolgd (Gestalt therapie) en organiseerde nu in zijn huis op zolder sessies in die stijl. Hoezeer ik ook bewondering had voor Jan Fokkelman op literair gebied, deze zogenaamde therapie was slecht. Het werd slecht gedaan, en ik kreeg nogal op mijn flikker. Ik voelde me een slecht mens na afloop. Enfin voornaamste was dat het me deed kennismaken met een voor mij nieuwe wereld: psychotherapie.
Het grootste keerpunt in mijn leven op dat gebied was een weekend in Uffelte, ik schat in 1983. Resultaat daarvan was tegenovergesteld aan wat ik bij Fokkelman meemaakte: Ik kwam er stralend vandaan. Ze hadden me uitgedaagd daar en ik bleek sterk en mooi. Wow! (meer over Uffelte)
Toch
Het onbestemde gevoel ongelukkig te zijn in dit leven, en niet te kunnen aansluiten op de een of andere manier bij mijn omgeving had ik vanaf de verhuizing naar de Haverkamp. Dat is gebleven tot ik stopte met werken. Op Cyprus had ik er heel erg last van maar ook toen ik terugkwam, en niet meer kon landen in een nieuwe werksituatie. Ik had het op de KMA toen ik daar als legerpredikant werkte en ook op het OCMGD in Hollandse Rading. Ik had het in Vught en zo zijn er talloze periodes geweest van een diepe eenzaamheid en onmacht om te leven en te werken in mijn context. De anti depressiva hielpen wel als een soort keerpunt in mijn leven (ik slikte ze een paar jaar toen ik eind 50 was), maar ik voelde wel dat ik nog steeds niet bij machte was om een echte verbinding met het leven en de mensen om me heen aan te gaan. Het bleef een raadsel, maar de grootste pijn was er af en gaandeweg ging het toch beter.
Er waren natuurlijk ook goede periodes en die zijn zeker het vermelden waard. Bijvoorbeeld de vakanties op Vionar. Misschien de beste tijd had ik op Beukbergen, tussen 1990 en 1998. In 1990 lag het vormingscentrum volledig plat. De collega’s die daar hadden gewerkt hadden er op een grove manier een puinhoop van gemaakt. Eind van het liedje was dat er nauwelijks meer iets werd gedaan en dat de sfeer beroerd was.
Toen kwam Leo Born in alle maandvergaderingen met een wervend betoog. Hij wilde het centrum weer leven inblazen en hij zocht medestanders. Ik meldde me bij hem. Hij zag niets in mij maar nam me toch aan en zo kwam ik daar te werken. Vier jaar heel hard opbouwen met hem als dynamische voorganger en daarna volgde ik hem op in 1994.
in 1998 gaf ik het stokje weer door aan Wessel Jan Woltjer:


Het groepje waarmee we het vormingscentrum runden
Ten slotte wil ik nog iets beschrijven van mijn ontdekkingstocht op het gebied van spiritualiteit. Dat was een jarenlange weg. Soms in het centrum van mijn aandacht en soms wat op de achtergrond. Ik kon dat in mijn leven nauwelijks met iemand delen helaas. De kerk was daar niet geschikt voor. Ik nam daar afscheid van door me te laten uitschrijven omstreeks 1998.
Op een gegeven moment werd ik gebeld door de predikant in Oss. Die had mij ontdekt als gemeentelid al ging ik al jaren niet meer naar de kerk. Ik kende hem vanuit mijn studie (zelfde dispuut) in Kampen: Simon Sluis (Oss 1995-2002). Een tamelijk conservatieve man. Hij vond dat ik actiever zou kunnen zijn in de gemeente te meer omdat ik legerpredikant was. Vanuit zijn perspectief klopte dat maar het stimuleerde me om er een punt achter te zetten. Simon vertelde ooit in het dispuut dat Boukje (Spaak) zijn vriendin zich voor hem had uitgekleed om zich naakt aan hem te tonen. Ze hadden toen verkering en meer dan kusjes en handjes vasthouden was uitgesloten. Dat was natuurlijk wel weer leuk, van Boukje dan.
Vervolg over mijn gedachten over spiritualiteit
Erik Klaas Stam (*1950)






Recente reacties