
Klaas Pool circa 1909

Zolang ik hem kende ging hij tussen de middag altijd even “onner kraant”
Ik ben genoemd naar mijn opa: Klaas. Erik komt van Henderika, of wellicht van Henderik (dan is het van vaders’ zijde). Op allerlei manieren heb ik veel aan opa gehad in mijn jonge leven. Ze zeggen zelfs dat ik qua karakter op hem lijk. Opa repareerde alles wat kapot was, en dat is ook iets wat ik graag doe. Zelfs zo erg dat ik vroeger bij menig vriendje thuis geweerd werd omdat ik alle speelgoed open maakte om het te onderzoeken. Vaak bleef het dan onbruikbaar voor de eigenaar achter.
Eens heb ik als theologisch student een poos bij opa gelogeerd om me voor te bereiden op een of ander tentamen. Ik moest de meest waanzinnige (in mijn ogen) theorieën leren over de menselijke en goddelijke natuur van Jezus. Alles in me protesterde tegen deze wiskunde. Er sprak in mijn ogen een raar soort hoogmoed uit alsof de mens God kon narekenen. Thuis kon ik daar niet goed over praten, maar bij opa konden al mijn weerspannige opvattingen zonder schroom besproken worden. Bedankt opa!
Verder bracht ik als kind erg veel tijd door in vakanties bij opa en oma. Daar was het leven heerlijk: kikkers vangen, “geweren” maken in de schuur, meehelpen bij allerlei boeren etc etc.
Toen opa ten slotte overleed in een ziekenhuis in Amersfoort heb ik de laatste nacht bij hem gewaakt. Hij was al diep in coma, maar toch was het een zeer kostbare nacht.

Oosterstraat 1. Het huis bestaat niet meer. Dit huis kochten Albertus en Martje in 1889. Links de werkplaats en rechts de woonruimte. Geheel rechts zittend met witte blouse Anje Smidt en links van haar Janna Pool. In 1911 liet Marinus Pool, oudste zoon van smid Albertus Pool, een nieuw winkelpand met bovenverdieping bouwen in de Oosterstraat (nummer 3) te Uithuizen. Hij trouwde in dat jaar met Anje Smidt uit Bierum. Links van Janna mogelijk twee dienstmeiden, en dan staande: Roelf Pool. Roelf zou de smederij in 1914 van zijn vader Albertus overnemen. De overigen zijn onbekend behalve de tweede van links: Albertus Pool.
De vader van Klaas Pool, Albertus, was smid in Uithuizen. Dat was dus het dorp waar Klaas opgroeide. Hij was de vijfde van zes kinderen (afgezien van de vroeg overledenen of doodgeborenen)
Klaas Pool was 10 jaar oud toen zijn moeder Martje Reenders plotseling overleed.

Harmke Reenders
Na het overlijden moest er iets worden georganiseerd om het gezin draaiende te houden. De oplossing die door de familie werd bedacht was om Harmke Reenders het huishouden te laten doen. Harmke was een nichtje van de overledene, dochter van Garmt Reenders een jongere broer van Martje Reenders. Normaal gesproken had dat wellicht gekund (ze was 15 jaar oud), maar Harmke kon dat niet aan. Het liep uit de hand, de familie merkte dat “de kinderen snoepten uit de suikerpot”. Dat kon natuurlijk niet en dus werd de oudste zus van mijn opa, Derkje, hoofd huishouding. Die heeft voor het grootste deel de opvoeding van haar broer Klaas voor haar rekening genomen. Derkje was toen 23 jaar. Nog weer later kwam Frouwke, dochter van Derkje om Albertus bij te staan.
Harmke Reenders woonde in mijn jeugd in een klein huisje achter bij mijn opa en oma. Harmke was een zus van Marten Reenders die was getrouwd met de zus (Grietje Siegers) van mijn oma. Marten heb ik wel gekend. Ook een vrij simpele man. Af en toe brachten we haar een pannetje soep. Haar huisje herinner ik mij als klein en rommelig.
Toen Piek, de jongste dochter van Derkje op een kwade dag (november 1942) aan Klaas meldde: “Mijn moeder is overleden”, was de reactie van Klaas: “Mient ook” (= de mijne ook), want blijkbaar zag hij in zijn zus Derkje degene die voor hem een moeder was geweest.
Ik was eens met opa in de Menkemaborg in Uithuizen. Opa vertelde dat hij als kwajongen de gracht overging, zwemmend of met een vlot of zoiets, om in de kelder van het huis appeltjes te gappen. Nu nog zijn er in de herfst heerlijke appeltjes aan de bomen in de tuinen van de Menkemaborg. Voor mij was dit een belangrijk verhaal, want zo bleek opa een gewoon mens te zijn.
Ik had, jaren later, ook een leuke ervaring op de Menkemaborg!
Klaas heeft bij zijn vader Albertus vast wel het een en ander geleerd in de smederij, want hij was altijd aan het werken en prutsen in zijn schuurtje en werkplaats. En later deed ik naar hartenlust mee.
Klaas Pool was toen hij op eigen benen kwam te staan eerst in de leer geweest bij verschillende bazen, als
knecht. Onder meer in Winsum (waar hij vermoedelijk zijn Henderika leerde kennen en later in Leens van waaruit hij zicht kreeg op Ulrum. Daar, in Ulrum, kocht hij onder meer met behulp van een lening van zijn schoonvader de behuizing met werkplaats in de Noorderstraat. Daar kon hij als zelfstandige ondernemer starten. Weliswaar moest hij nog alles opbouwen, en de schulden aflossen, maar hij was in ieder geval zelfstandig. Het was wel reuze spannend met die winkel, want aanvankelijk liep het niet storm. Als af en toe onverwacht de winkelbel klonk dan ging er een enorme opwinding door het huis: een klant!
Ze hadden er een fietsenreparatie werkplaats, net als zijn broer Marinus in Uithuizen, maar later ook een winkel in huishoudelijke artikelen. Er werden apparaten verkocht en kachels. In dat huis zijn de dochters van Pool geboren, en daar kwamen vader en zoon Stam om de laatste maanden van de oorlog onder te duiken, en daar gaf mijn vader de eerste kus aan mijn moeder. Helaas bestaat het huis niet meer.
Bij opa leerde ik wat vuur is. Periodiek werd er van alles verbrand achterin de tuin. De gemeentereiniging was nog niet zover ontwikkeld. Dus bijvoorbeeld oude kranten deed men op deze manier weg. Voor mij, stadsjongetje, natuurlijk een mooi avontuur.


Trommeltje links was in gebruik in de keuken bij opa en oma. Ik meen dat ze er koffiebonen in bewaarden, maar ooit had hij te koop gestaan in hun winkel.
Rechts de onderkant. Daar staat de prijs met potlood opgeschreven: ƒ2,50 en daaronder staat: vlv
Elke winkelier had zijn eigen geheime code en daarmee kon hij zien wat de inkoopsprijs was geweest, en dus hoeveel er afgedongen kon worden. Het codewoord van opa was vingerbalk. Twee aan elkaar geplakte woorden die samen een niet bestaand woord vormden en waarvan elke letter een cijfer van 1 tm 0 vertegenwoordigde.

Opa verkocht ook fietsen en hij had een fietsen reparatie werkplaats.
Links het plaatje van de dealer dat op de fiets werd gemonteerd en rechts een koperen plaatje dat van de belastingdienst was. Wie zich met een fiets op de openbare weg begaf moest belasting betalen, net als nu met gemotoriseerde voertuigen.
Opa legde ook stroom aan. Ik ging wel eens met hem mee als hij dat deed. Mensen leefden vaak nog bij licht van een petroleumlamp. Op petroleum werd ook gekookt. Dat deden mijn opa en oma ook. Maar hij haalde een diploma van elektricien en zo kon hij ook op dat gebied de kost verdienen. Dat ging met ijzeren buizen en met draden die met stof omwikkeld waren.

En zo had hij ook een diploma als loodgieter, en of dat nog niet genoeg was: op een dag werd rondgevraagd wie de dakbedekking van de Gereformeerde kerk in Ulrum wilde vervangen. Die klus kon je vermoedelijk op intekenen en opa
kreeg de klus.
Dit moest verborgen worden gehouden voor oma anders zouden haar zwakke zenuwen het misschien begeven. Probleem was wel dat de torenspits van de kerk te zien was vanuit de keuken van het huis van Pool. Dus op het moment suprême waren ingewijden in dit geheim wel af en toe gespannen of oma niet vanuit het raam toevallig haar man zag klauteren. Ook het haantje moest eraf gehaald en van een nieuw verfje voorzien.
Bij die gelegenheid, toen de klus was geklaard heeft opa een leisteentje van de dakbedekking ingekrast met zijn naam en datum. De legde hij ergens verscholen in de torenspits. Toen jaren later het dak opnieuw moest worden gerestaureerd vond iemand dat leitje en hij bracht het naar opa. Grote hilariteit!
Wim van Houte Jr. schreef mij hierover het volgende in een mail:
Dag Erik,
Ik lees het volgende:
POOL
920
IX 16
Omdat de P van Pool op de breuklijn staat en de 9 hier precies onder gok ik op het jaartal 1920
De één onder de 9 zou de lange stok van de negen kunnen zijn. Toch denk ik dat hier het romeinse cijfer 9 staat, want anders zou er een knik in de stok zitten. September dus.
De 16 duidt dan op de dag.
Deze datumnotatie zie je ook wel eens op een schilderij.
Donderdag 16 september 1920 zat onze grootvader dus op het dak van de kerk. Dit allemaal bij een temperatuur van 14 graden, een gemiddelde windsnelheid van 3 bft, met een zuid-zuid-westen wind.
hartelijke groet,
Wim
Toen mijn ouders hun eerste huis kochten in Den Haag, moest opa Klaas komen om te adviseren. Klaas was immers de ondernemer, en zijn schoonzoon, de generaal, had daar weinig sjoege van. Die wist, bij wijze van spreken, van geld alleen maar dat je het kon sparen.
Ik herinner me nog een oorlogsverhaal: Pool was een van de weinigen in het dorp die tijdens de oorlog stroom had. Dat kwam omdat hij het stiekum had afgetapt van de straatverlichting. Natuurlijk moest dat niet bekend worden, maar het was wel verdraaid handig als je eens wilde stofzuigen. Dat ging dan als volgt: iemand nam plaats achter het harmonium, en het gehele gezin zong zo hard mogelijk allerlei liederen terwijl een van hen de stofzuiger hanteerde. Zo werd het geluid van de stofzuiger overstemd.
Een ander voorbeeld van opa’s creativiteit herinner ik me omdat ik het zelf heb meegemaakt: We waren eens op Oudejaarsavond in Ulrum te logeren. In die nacht was het traditie dat de jongens van het dorp alles wat maar enigszins versleepbaar was te verslepen naar een centrale plaats in het dorp, of nog leuker: ergens hoog op een dak. Op Nieuwjaarsochtend was het altijd een hele uitzoekerij, en zeer verrassend hoe men boerenkarren soms op enorme hoogten had weten te brengen. Die avond had opa de telefoon aangesloten op de luidspreker van de radio. Voor die tijd was dat heel ongewoon. Maar het was wel handig, want als om middernacht met familie gebeld zou worden, dan kon het hele gezin meeluisteren. Nog voor middernacht keek iemand toevallig uit het raam en zag dat bij de overburen (Tent, de kruidenier) de luiken van de ramen werden gehaald door de dorpsjeugd. Opa belde de buurman op om hem te waarschuwen en we konden het hele gesprek volgen: Tent geloofde hem niet. Het was dolle pret.
Pool repareerde in het dorp van alles voor iedereen. Legde stroom aan, verhuurde en repareerde radio’s.

24 dec 1954 Nieuwsblad van het Noorden
Toen ze in 1959 verhuisden (de dochters waren inmiddels allemaal al de deur uit) naar een paar huizen verderop in de Noorderstraat, kocht hij twee huizen (No 23-25) onder een kap en maakte er één huis van. Het dak krikte hij een halve meter omhoog (op de foto links te zien), en zo was niets te gek.

telefoonboek Ulrum 1950
Klaas was progressief. Zijn dochters kregen ooit zwemles, tegen de gewoonte van het dorp in, en hij wilde als eerste telefoon, maar de dokter en de stoomcartonfabriek “Ceres” gingen voor. Hij kreeg dus nummer 3. In het midden van de afbeelding hierboven kun je zien dat Ulrum op bepaalde uren per dag bereikbaar was.
Verder zat hij jaren lang in de kerkenraad en in het schoolbestuur. Hij reisde ooit naar Amerika en Israël.
Altijd heb ik gedacht dat hij koperslager was, maar dat was hij niet. Niet echt. Hij was het wel graag geweest, en deed veel op dat gebied, maar hij was niet te vergelijken met een ambachtsman die dat vak had geleerd. Hij maakte wel van alles van koper, zeepbakjes, snotneuzen, wasemmers, terraslampen etc, maar dat was meer een hobby, omdat de familieleden allemaal zo’n schattig tuitlampje wilden hebben. Hij maakte al die dingen minimaal in drievoud: voor elke dochter een exemplaar. Ik erfde ze van mijn ouders en van tante Berta. Vaak is een derde exemplaar bij de familie Van Houte. De koperen ketels hierbij afgebeeld, vond hij bij een boer ergens in de omgeving. Ze lagen op de mestvaalt. Hij mocht ze meenemen. Repareerde ze en elke dochter kreeg er eentje.

Van tinnen kruiken maakte hij vazen of bijvoorbeeld een kaarsenstandaard. En ook smolt hij kraantjeskannen om. Want die gingen nogal eens kapot. Dat kwam zo: Je gebruikt het deksel van de kraantjeskan als maat: vullen met gemalen koffie. Die kieper je in de kan en vervolgens kokend water erbij. Dan laten trekken met een vlammetje eronder. Vervolgens na enig wachten het kraantje open en voilá: Groningse koffie.
Wat soms gebeurde was dat het water ging koken, en als dat lang genoeg duurde ging hij droogkoken: al het water onderin verdampte onder de laag koffieprut. En dan ging het tin smelten ….
Het tin gebruikte hij dan om mee te solderen. Bij hem op de schoorsteen stond nog een mooi kraantjeskan exemplaar, en toen ik opa vroeg hoe dat toch gemaakt was, nam hij me eens mee naar een ouderwetse ambachtsman (Amsing heette die) in de stad Groningen () die dat nog deed. Het oude ambacht werd uitgevoerd in een souterrain, in een zeer volle en rommelige werkplaats. Hij liet het me zien en ik mocht er op opa’s kosten eentje laten maken. Het moest ook in het ouderwetse patroon geschilderd: rood met ster. Dat gebeurde ook in Groningen bij een andere ambachtsman op dat gebied: Reyenga. Opa zelf maakte er wel een onderstelletje bij.

De “koperslager” had een buitenlamp gemaakt voor het huis van mijn ouders in Voorschoten. Ter gelegenheid van haar verjaardag op 28 februari 1976. Hij zou hem zelf wel even ophangen. Die lamp hangt nu bij ons achter het huis.
Ik herinner me ook dat er een rechtszaak was. Opa had land in bezit en dat verhuurde hij aan een van de broers van oma Siegers. Dus Sietdinus of Drewes. Vermoedelijk de laatste.
Opa kwam er achter dat het land werd onderverhuurd en dat was illegaal. Dus vermoedelijk Drewes werd daarop aangesproken en het kwam tot een rechtszaak die opa natuurlijk won. Pijnlijk in de familie verhoudingen. De papieren van die kwestie heb ik ergens in mijn bezit.
Recente reacties